14.  STAGNATIE EN FASCISME

"Het is immers het afsterven van den humor, wat doodt." Johan Huizinga

Dit hoofdstuk gaat over ongeveer dezelfde periode als het vorige en het volgende hoofdstuk, de jaren 1933 tot 1939. Nu staan de wedervaardigheden van Ma en Pa niet centraal, maar de economische, politieke en culturele toestanden in deze tijden. Het was voor Nederland en omstreken een tijd van verval in welvaart en beschaving, een periode van stagnatie en fascisme. Alsof de economie en het moorden onbeheersbare natuurverschijnselen waren. In Duitsland begon de overheid steeds meer te moorden, in Rusland waren er showprocessen, jarenlange razzia's en de Gulag, in Abessinië (Ethiopië) gooide Italië gifgas op dorpen, in het Chinese Nanking pleegde Japan een massamoord, in Spanje lieten de democratische landen het fascisme van de democratie winnen.

De wereld tussen 1930 en 1933 was nog wel van een kalende kneuterigheid geweest, met fancy-fairs, reclame-tentoonstellingen, winkelweken en gekostumeerde voetbalwedstrijden ten bate van de werklozen. Maar toen de economische crisis in stagnatie overging sloeg de sfeer om. Met het experiment in de kunst van de twintiger jaren was het nu voorbij, in totalitaire staten, maar elders ook. Daarbij won de ethiek het vaak van de estethiek; het bekrompen goede van het schone. In de architectuur won de moderniteit, de nieuwe zakelijkheid met slogans als duidelijkheid, helderheid en orde en licht, lucht en ruimte het meer en meer van de zwierigheid en het ornament van de Jugendstil, de Art Deco en de Amsterdamse school. Functionaliteit, standaardisatie voor massaproductie. Rechte hoeken, platte daken, veel glas, nuchterheid zou de mens bevrijden. Piet Zwart ontwierp de Bruynzeelkeuken die in 1938 in productie werd genomen en nog steeds wordt verkocht.

Er werden trouwens in de dertiger jaren wel mooie huizen gebouwd, zoals het huis in Overschie waar we na de oorlog woonden. Villa's ook, waarin geen spoor van de malaise valt te ontdekken. Het waren vooral de laagstbetaalden die werden getroffen door de werkloosheid en armoede. Onderdeel van de krimp was de prijsdaling, de deflatie, die in Nederland ongeveer gelijk opging met de loonsverlagingen zodat de koopkracht voor mensen die nog een baan hadden niet zwaar zakte. Goed opgeleide middenklassers behielden hun koopkracht. Omdat beleggingen in aandelen bijna niets opleverden staken zij en mensen met bezit hun geld in huizen. Ruime huizen met ingenieus metselwerk, houten lambrizeringen en schuifdeuren met glas-in-loodramen, in ruime woonwijken met grote kavels en lanen met bomen.

In de literatuur gebeurden er wat mij betreft in deze tijden grootse dingen. Ferdinand Céline schreef zijn cynische tirade over de vriendschap: 'Reis naar het einde van de nacht'. Elias Canetti liet in 'die Blendung', in het Nederlands 'Het Martyrium', kennis en beschaving ondergaan in domheid en geweld. Willem Elsschot schreef het vervolg op zijn satire over leugenachtige bluf en verkoopkunst, Bordewijk schreef Bint waarin de wrede orde het wint van de menselijkheid.

Ter Braak, Vestdijk en Du Perron

Vestdijk, net als Pa geboren in 1898, brak in 1935 door als toonaangevend schrijver met zijn roman 'Else Böhler, Duits dienstmeisje', een aanklacht tegen het fascisme. Hij hekelde 'de met de dag groeiende ideologie van het geweld'. In 'Meneer Vissers Hellevaart', 1936, tekent hij een verknipte potentaat, een huistiran, zoals de onderdaan van Heinrich Mann: likken naar boven en trappen naar onder. Een leider is wie de grootste mond en de listigste organisatie tot zijn beschikking heeft. Het boek kreeg veel kritiek, men vond het vies en ziekelijk, maar niet vanwege de politieke opstelling maar door de beschrijving van dingen die in het slaapvertrek en op de wc plaatsvinden.

Voorplaat Meneer Vissers Hellevaart

Ook in de populaire muziek sloeg de stemming om. Was in het ene jaar een grote hit nog 'Is it not romantic?', een jaar later was de Duitse schlager van het seizoen zwaarmoedig 'Warum?" Henk Hofland herinnert zich dat in 1933 op de koffergrammofoon het lied van Zarah Leander: "Kann denn Liebe Sünde sein?" gespeeld werd. De mode ging van kleurig naar grauw, de auto's kregen een verhullende, loerende stroomlijn en er verschenen stalen meubelen, tekens, -voor sommigen- dat de slechte toekomst was begonnen. De toenemende werkloosheid en armoede, de 'muiterij' op de Zeven Provinciën, berichten en geruchten over opstand en revolutie, van der Lubbe, de duistere dreiging van over de oostgrens. Openbare pestilenties kwamen nu dwingender op me af, meldt een getuige, door de krant en radio, de gistende stem van een Duitse agitator met op de achtergrond het kokend gesis van duizenden bewogenen.

Natuurlijk was het democratisch gehalte in veel landen toegenomen, door vakbonden, arbeiderspartijen, algemene verkiezingen, ook voor vrouwen, die stem gaven aan velen. Bij de sociaaldemocraten plooide men zich meer in de richting van de gangbare opvatting over democratie; men gaf het dromen over een revolutie op; in 1930 won de anti-marxistische stroming. Drees, Banning en Vorrink zwoeren de nationalisatie van de bedrijven af, aanvaardden het koningshuis en het bestaansrecht van christelijke partijen en vakbonden. Het kapitalisme hoefde nu volgens de sociaaldemocraten nog slechts gepland en opnieuw geordend te worden, in plaats van klassenstrijd kwam gemeenschapszin. Maar er was ook terugslag op het gebied van de democratie. In Rusland, Duitsland, Italië en Spanje. In de koloniën was er een toenemende roep naar meer lokale zeggenschap maar daar werd met onderdrukking op gereageerd. Het was een sombere periode, met een wijdverbreid pessimisme in de geest van van Ortega y Gasset en Spengler, die de opstand der horden en de ondergang van het avondland voorspelden. Men drong allerwege aan op versterkt gezag. Er was een roep om leiding, een aristocratisch verlangen, een romantisch conservatisme, zoals bij het blad Leiding, maar ook bij de elitair-marxist de Kadt of de historicus Geyl. Er was veel twijfel over de democratie; een deel van de katholieken zag er ook niet veel in. Over de noodzaak van een radicale schoonmaak waren overtuigde democraten en onwankelbare kapitalisten het eens. Maar hoever daarin te gaan? Wat moest voorgoed opgeruimd worden en wat moest blijven staan?

Het verst gingen de fascisten: die streefden naar dictatuur. Het Nederlandse fascisme was onderdeel van een internationale stroming. Het was rancuneus, ondemocratisch, zeer autoritair, extreem nationalistisch, fel tegen de élite, de rooien en de Joden. De achtergrond van de terugval in de kracht van de democratie in de dertiger jaren was de chaos en ellende die de economische malaise veroorzaakte. Maar dat kan geen voldoende verklaring zijn; in Italië waren fascisten al in de twintiger jaren aan de macht gekomen en in Spanje lag de verovering van de staatsmacht aan andere dingen. Belangrijker was misschien de gekwetstheid, de rancune en boosheid van veel mensen. Gekwetst kan ieder zich wel voelen, pijnlijke vernederingen vallen niet te ontlopen en laten hun sporen na. Daarom zitten we allemaal meer of minder vol angels. Als de pijn niet op anderen kan worden afgereageerd hopen de angels zich op en moeten er toch uit, ze wachten op ontlading. Dit heb ik niet zelf bedacht maar van Elias Canetti geleerd. Mensen beschikken altijd over mogelijke moordlust. Meestal houden ze zich in bedwang en komt er niet zo veel van; we noemen dat beschaving. Maar er is altijd een reservoir van herinneringen aan vernederingen en pijn dat wacht op ontlading. In de tropen was geweld en massamoord, voor gewin of geloof, normaal, gewoon, eerder achteloos dan slecht of opzettelijk. Maar met de chaos van de depressie kwam de moordlust terug naar huis. Men keerde zich ook tegen elkaar, tegen de buurlanden, de rassen, en in Rusland ook de klassen. Aimé Césaire, na de oorlog het eerste Franse parlementslid afkomstig uit de 'overzeese departementen' -de term is nog steeds gangbaar- merkte op dat men in Europa niet zo moest opkijken van de moordpartijen van de nazi's. Hitler was geen uitzondering maar paste volgens de dichter uit Martinique alleen maar de koloniale procedures toe die tot dusver voor Arabieren, koelies en zwarten gereserveerd waren gebleven.

De fascisten van toen deelden met socialisten een verlangen naar een betere wereld, met eigenheid, eenheid en eer(herstel). Gekwetste gevoelens vanwege ongelijkheid -in inkomen, macht en kansen- waren vooral door de communisten, anarchisten en socialisten aangesproken. Pa noemde dat trouwens afgunst, jaloezie. Nu maakten ook rechtse nationalisten zich handig meester van de pijn der gekwetsten. Het ging bij hen over de nationale eer en het ras. Daarbij werden onlustgevoelens jegens minderheden gemobiliseerd, vijandbeelden gecreëerd, beelden opgeroepen die duidelijk moesten maken hoezeer het eigen bestaan werd bedreigd. Er werd vaak behoorlijk overdreven. Men zag zich als slachtoffer, in het zwelgen daarin was men zijn tijd vooruit. Dit is actueel. Het ideaal van de verwijdering van de vreemdeling en 'ons' slachtofferschap zijn onlangs nog door Arnon Grunberg aangekaart. Hij citeert Wilders: Nederland is van ons, niet van jullie; ze hebben lak aan wie we zijn, gedragen zich steeds vaker als overheersers, criminelen, profiteurs, halen het bloed onder onze nagels tevoorschijn, schelden ons uit. Ze hebben ons paspoort maar ze horen niet bij ons.

De fascisten hadden een ongebruikelijke stijl van optreden, ze provoceerden en zochten de randen van de redelijkheid en het geweld op. Ze hadden een voorliefde voor krachtige daden, voerden een permanente agitatie tegen het burgerlijk gezag en maakten hun tegenstanders zwart door schelden. Het ging ze zogenaamd om het eigen volk, de eigen natie. Men sprak daarbij het gesundes Volksempfinden aan, het spontane oordeel, gevoelens van afkeer en haat, wat we tegenwoordig de onderbuik noemen. Ze zagen niets in de democratie. Dat gold intern, binnen de partij, maar ook in een land als ze aan de macht kwamen zoals in Italié, in Duitsland en in Spanje. Men geloofde in het Führerprinzip: één partij, en één natie ook, dat vonden velen het beste, en met een eenhoofdig leiderschap, een persoonlijke dictatuur.

Het extreme wij-denken heeft behoefte aan een ander die van alles de schuld heeft. Haten is makkelijker en op korte termijn rendabeler dan begrijpen. Zondebokken zijn altijd makkelijk te vinden, men hoeft bestaande beelden en meningen alleen maar aan te wakkeren. Vooroordelen over Joden waren toen zo wijdverbreid (en traditioneel) als tegenwoordig over Moslims. De Joden zouden naar wereldheerschappij streven en zowel bij de banken als bij de communistische Russen aan de touwtjes trekken. Zo werden mensen gemobiliseerd die zich bedreigd voelden. Daarbij was volgens Ter Braak in 1938 de haat primair, de Jodenhaat secundair; een van de vele voorwendselen om het ressentiment een reëel object te verschaffen. Het is 'een socialisme van de mensenverachting'.... De fascistische mens moet weer infantiel worden, hij moet aan leugens kunnen geloven wanneer het staatsbelang dat eist .... de frasen werken zolang als de hypnose duurt.

Nieuwe media als radio en film boden kansen voor de propaganda. Teksten, foto's, films en muziek konden eindeloos vermenigvuldigd en verspreid worden. Afleiding en halve leugens begonnen aan belang te winnen. Ook voor de consument waren nieuwe media belangrijk. Er kwamen goedkope compacte camera's, amateurfotografie werd een rage. Radio werd belangrijk en naar de bioscoop gaan bood ontspanning en een ontsnapping aan het grauwe leven. Zoals de scheepvaart verbinden media tijden en kusten, gebieden en sferen, staten en mensen met elkaar. Ook zonder de latere dominantie van de verkoopbevordering werd de samenleving al meer een wereld gebaseerd op afleiding en propaganda: pakkende plaatjes, bewegende beelden en lekkere halve en hele leugens.

1937 Huis- aan huisreclame voor zuivel in Alkmaar

De verschijning van radio, grammofoon en bioscoop leidde ook tot paniek. Optimisten hadden een punt: nieuwe media scheppen kansen voor het contact en begrip, voor lering en verheffing. Maar anderen waarschuwden voor verloedering, smaakbederf en zedenverruwing. De sociaaldemocratische jeugdleider Vorrink was zeer kritisch over het winstbejag en de prikkeling van platvloerse instincten. Hij vond dat de hogere behoeften zo niet aan bod kwamen.

"Toen de ontwortelden eindelijk leerden de macht van de meester te weerstaan, toen stonden zij als massa en kultuurloos en werden andermaal aan hun heersers onderworpen .. Het is deze kultuurloosheid die de grondslag vormt voor de exploitanten van moderne dagbladen met hun massa-debiet, van het overweldigend meerendeel der filmproductie, die als volksvergif dient te worden gebrandmerkt en van radioprogrammamma's, die zich weinig bekommeren om wat waarachtige volksopvoeding zou betekenen. Vóór alles ingesteld op concurrentie en winstmaken, beschikken deze drie grote moderne vormen van beïnvloeding van het denken over de geraffineerdste technische en psychologische methoden tot prikkeling en bevrediging van de meest platvloerse instinkten en sentimenten dier massa. Zij houden de massa gevangen in de bekoring van hun lege sensatie en hun valse schijn en zij verhinderen daarmee de doorbraak van de in de massa eveneens aanwezige hogere behoeften en verlangens".

Economie
De economische crisis bereikte in 1933 haar dieptepunt en ging over in stagnatie. Na de crash op de Amerikaanse aandelenmarkt in oktober 1929 ontstond een kettingreactie van bezuinigingen en protectionisme die tot een forse krimp van de hele westerse economie leidde. In de USA gingen in drie jaar 9.000 banken over de kop, twee van de vijf. Na vier jaar waren aandelen nog een achtste waard, was het wereldprijspeil met bijna de helft gedaald en had de internationale handel een derde van zijn omvang en tweederde van haar waarde verloren. De industriële productie in de wereld (de Sovjet-Unie niet meegerekend) was inmiddels tot de helft gekrompen. De effecten op de arbeidsmarkt waren voor velen het meest pijnlijk. Dertig miljoen arbeiders liepen zonder werk. De immigratie naar de Verenigde Staten, toen nog vooral uit Zuid- en Oost-Europa, werd krachtig beperkt en daalde in die vier jaar met ongeveer tweederde.

Over de effecten in de rest van de wereld, voor het grootste deel koloniën, is me weinig bekend en ik wil het graag kort houden. Midden-Amerika en het Caraïbisch gebied werden getroffen door de kelderende prijzen en afzet van koffie en bananen. Boeren werden van hun erf gejaagd, de werkloosheid werd enorm, investeringen en staatsuitgaven werden plotseling gereduceerd. In Honduras, Guatemala en Nicaragua daalden de salarissen van ambtenaren met bijna de helft. Stakingen, boerenopstanden en guerillastrijd barstten los in Nicaragua en Honduras en werden ten koste van tienduizenden doden bedwongen. De roman "Rubber" van Székely-Lulofs geeft een beeld van de paniek en het verval van de plantersklasse in Atjeh. Over Suriname meldt Anton de Kom dat er ontslagen bij de overheid en bedrijven vallen en dat er 5.000 zeer behoeftige gezinnen geteld werden. Een demonstratie van werklozen eindigde met een salvo en sabelattaque met één dode en vele gewonden. In 1933 werden de salarissen van lagere ambtenaren met 10 à 15 % verlaagd. Contractarbeiders uit Java, die men nog kort daarvoor met allerlei beloften naar de plantages in Suriname had gelokt, werden nu gekort op het beloofde loon, mannen met een kwart, vrouwen met een derde. Andere lonen werden nog meer verlaagd. Malaria, tuberculose en frambosia richtten slachtingen aan. De Kom: 'Kinderen met dikke buikjes en kromme benen van ondervoeding, dysenterie en andere ziekten spelen in de waterplassen van de ongerioleerde, ongeplaveide straten, of bij de waterputten en de stinkende wc's op de erven'.

Men wist in het rijkere deel van de wereld niet goed hoe de crisis aan te pakken, net als tegenwoordig. Men was gewend aan de ups en downs van het zakenleven en aan een conjunctuurcyclus van 7 à 11 jaar in de in geld gemeten bedrijvigheid, die zich dan weer herstelde. Maar nu ging de malaise van productie en verkoop over in stagnatie, een soort verlamming, die op blijvende achteruitgang leek te wijzen. Adviezen en recepten van economen gingen toen -net als nu- alle kanten op. In hun beschouwingen en voorspellingen hebben ze net zo goed met macht en belang als met kennis of waarheid te maken. In de VS en Londen waren er vaak bijeenkomsten van belangrijke politici en leiders uit het zakenleven. Meestal werd daar weinig of niets besloten. De ontmoetingen ontleenden hun aandacht niet aan besluiten of daden, maar aan de verzamelde macht van de deelnemers: staatslieden, bedrijfsleiders, bankiers. Altijd werden na de zoveelste top geruststellende woorden gesproken maar die werden ook steevast door nare gebeurtenissen ingehaald. Kenneth Galbraith spreekt over het wijdverbreide verschijnsel van de 'no-business-business meetings.' De bijeenkomsten waren een ritueel, een somber stemmend, wat hopeloos, dansje rond een onuitspreekbaar kalf. De gesuggereerde actie was een simulatie, een bezwering.

De grootste moeilijkheden leverden de crisismaatregelen in de verschillende landen op. Bezuinigingen, loonsverlaging, protectie, devaluatie, het werd al maar erger. Met het verlagen van de lonen trachtten ondernemers hun bedrijven winstgevend te houden of hun verliezen te beperken. Het oude recept: als de lonen in slechte tijden lager werden, dan zouden de productiekosten van de waren afnemen waarmee de prijs lager kan en de verkoop zou gaan toenemen. Lagere lonen, sneller herstel, dat was het idee. Maar door het dalen van de lonen nam natuurlijk ook de koopkracht en de afzet af.

Overal liep de export terug. Dit leidde tot eonomisch nationalisme. Elk land trachtte al het mogelijke te doen om de eigen invoer te beperken en de uitvoer te bevorderen. Eigen bedrijfsleven eerst, ook toen al waren de nationale staten vervlochten met hun eigen bedrijfsleven. Deze ingrepen op het handelsverkeer wonnen het van het liberale grondbeginsel; het werd een wereld waaruit de vrijhandel verdween. Protectie als wraak voor de importbeperking van een ander land is psychologisch voorstelbaar. En op korte termijn kan het verhogen van de invoerrechten voor een land gunstig werken. Maar de invoer van het ene land is de uitvoer van de andere landen Zo verzwakte staat na staat het bedrijfsleven van zijn handelspartners. Door deze vicieuze cirkel plantte de krimp zich voort en nam ze een internationaal karakter aan. De concurrentie tussen landen werd verder opgevoerd met de waardevermindering van de munteenheid, devaluatie. Het ene na het andere land liet de waarde van de eigen munt dalen. Als landen dat doen worden hun waren voor het buitenland goedkoper en de ingevoerde producten duurder. Ook zo kan een land zijn export stimuleren en zijn import beperken. Maar als de handelspartners dat als oneerlijke concurrentie zien, kunnen ze door invoerbeperkingen de goederen uit dat land toch weer duurder maken, of ook gaan devalueren. Zo krijg je een wedstrijd in waardevermindering van de munten, wat voor het gevoel van eigenwaarde der volkeren trouwens niet gunstig is. Met de devaluaties viel de Gouden Standaard, het systeem van aan elkaar gekoppelde munten, uit elkaar.

Duitsland
De crisis trof Duitsland als geen ander land. De lonen werden voortdurend verlaagd. De belastingen konden haast niet hoger worden opgeschroefd. Buitenlandse kredieten droogden op. In 1933 zat de helft van de mannen zonder werk, een groot deel van de middenklasse verarmde in een hoog tempo. Het land was aan het eind van zijn krachten; het kon de door de verloren oorlog afgedwongen herstelbetalingen niet opbrengen, zelfs als men dat had gewild. Er heerste een sfeer van wanhoop, in de woorden van Upton Sinclair over Berlijn: "rondzwervend over de straten, huizend in stenen holen en kelders, of bivakkerend in tenten op open ruimtes, (ziet men) ongetelde horden van hongerige, slecht geklede, door angst opgejaagde en van haat waanzinnige menselijke wezens". De economische malaise droeg bij aan het succes van Hitler. Vóór de crisis stemde minder dan drie procent op zijn nationaalsocialistische partij, de NSDAP, eind 1932 was dat bijna veertig procent. Op 30 januari 1933 werd er met grote moeite een regering gevormd. Hitler werd kanselier, tweede man en leverde een paar ministers; in Pruisen, met de hoofdstad Berlijn, werd Göring minister van binnenlandse zaken. Daar ging straatterreur nu over in staatsterreur. Er was alweer een heftige verkiezingsstrijd, voor de vijfde keer binnen een jaar. Industriëlen zoals Krupp, Schacht en Thyssen stortten 3 miljoen Mark in het verkiezingsfonds van de nazi's; Göring verzekerde ze dat dit voorlopig de laatste verkiezingen zouden zijn.

Grote ophef ontstond eind februari doordat de Leidenaar Marinus van der Lubbe in Berlijn de Rijksdag in brand stak. Van der Lubbe was in 1910 geboren, net als Ma. Hij was reislustig, initiatiefrijk, eigenwijs en koppig. Maar daarmee hielden de overeenkomsten tussen hem en mijn ouders wel op. Pauper van geboorte, halfblinde invalide, vaak werkloze metselaar, gretig lezer. Als radicale actievoerder zat hij regelmatig in de gevangenis. In 1931 had hij als lid van de Communistische Partij Holland bedankt. Hij vond dat er te veel bonzen waren en te weinig actie werd gevoerd. Volgens een makker was hij een typische individuele, anarchistische figuur die een weg volgde die uitsluitend de zijne was en waaraan hij koppig vasthield. Maar hij had met de communistische partij ook een conflict over een naam, over een merk. Om een nieuwe zwerftocht te financieren had hij een ansicht laten drukken die hij onderweg wou gaan verkopen. Daarop had hij als reisdoel Sovjet-Rusland vermeld, met een afbeelding van een hamer en sikkel erbij. Dat waren dezelfde tekens die de communistische partij als symbolen hanteerde. De partij vond dat zoiets niet mocht of kon, zo had hij de naam van het arbeidersparadijs verbonden met 'persoonlijke oplichterij'.

Op 27 februari 1933 lag de sneeuw in Berlijn drie decimeters dik. Om 21.13 uur werd brand gemeld in de Rijksdag, het belangrijkste regeringsgebouw. Van der Lubbe deed het hoogstwaarschijnlijk alleen, 'trap af door zalen, vlammend of gedoofd', zoals Simon Vestdijk dichtte. Hij deed het, zoals hij bij de politie verklaarde: "Als signaal aan de Duitse arbeiders om in opstand te komen." De gevolgen van de brand waren enorm. Hitler wist meteen zeker dat de communisten en de sociaaldemocraten erachter zaten en reageerde zeer geagiteerd: "Nu is er geen genade meer; wie ons in de weg staat wordt neergemaaid". In dezelfde nacht werden met veel geweld duizenden tegenstanders opgepakt, de lijsten lagen al lang klaar. In korte tijd werden krassere maatregelen genomen dan de vroegere keizers ooit hadden gedurfd. Een noodwetje stelde de grondwet buiten werking en schafte het recht van vereniging, vergadering, meningsuiting en de drukpers af. Op 20 maart werd Hitler alleenheerser. Terugwerkend werd voor brandstichting de doodstraf ingevoerd. Bij zijn proces maakte van der Lubbe een apathische, gedrogeerde indruk. Hij werd ter dood veroordeeld.

Marinus Van der Lubbe

De wil om voor een ideaal te sterven, ook wel idealisme of fanatisme genoemd, is, vooral in vredestijd, bij de meeste mensen zwak ontwikkeld. Liever rust en rijkdom, al was het maar voor de kinderen. Toch zijn dergelijke daden van alle tijden en ze lijken tegenwoordig zelfs weer populairder te worden. Vestdijk dichtte toen: "De simpelen van geest zijn voor het ideaal de beste mest geweest". Met van der Lubbe is veel propaganda bedreven. De nazi's maakten er een communistisch complot van, de communisten zeiden dat van der Lubbe met de nazi's in bed had gelegen. De Vlaming Willem Elsschot wijdde een gedicht aan van der Lubbe en hekelde de Nederlandse regering die erg weinig voor de rechten en belangen van haar onderdaan was opgekomen:
 
     Holland vraagt nu onverdroten
     Of je niets werd ingespoten
     Maar die vuige, laffe moord
     Vindt het minder ongehoord

In zijn roman "Else Böhler, Duits dienstmeisje" (1935) laat Simon Vestdijk een dokter naar Duitsland reizen, op zoek naar zijn vriendinnetje. Hij ziet haar op een SA-feest waar ze in Markense klederdracht, de broek vol bommen, over van der Lubbe, over de brand en over het bezetten van Nederland zingt. Ook later is er veel over de Rijksdagbrand geschreven en gespeculeerd, er zijn films en documentaires over gemaakt die elkaar nog steeds tegenspreken. Nog onlangs vroeg de Duitser Merkelbach, professor in de psychologie aan de Universiteit van Maastricht zich in een column in de NRC/Handelsblad af waarom er in Berlijn nog geen straat of plein naar Van der Lubbe is vernoemd.

Bij de verkiezingen na de brand, twaalf jaar lang de laatste, wonnen de nazi's enorm. Na de successen heerste in 1933 bij hen een euforische stemming, een overwinningsroes. Hitler liet zich nu Führer noemen. Nu begon de "gelijkschakeling". Dat is eigenlijk een technische term die betekent dat de stroom overal dezelfde kant op gaat lopen. Joden en kritische personen werden vervangen door aanhangers of meelopers. In de ambtenarij, de scholen en universiteiten; bij redacties, theater, kunst en ook in het bedrijfsleven. In maart werd in Dachau bij München het eerste concentratiekamp geopend. Vakbonden werden opgeheven, hun gebouwen geplunderd. Het parlement kwam nu niet meer samen, de sociaal-demokratische partij, toen nog socialistisch genoemd, werd als landverraderlijk aangemerkt. Al gauw was er nog maar één partij. Groll, een Duitser die er eerst wel nog wat in zag, beschreef de gelijkschakeling: "En toen kwamen de maatregelen, de directieven, bevelen, installaties en hervormingen ....Elke burger was een slaaf van zijn gemeenschap en zijn natie, een lijfeigene, een horige, een automaat. Van de wieg tot bejaardentehuis was iedereen een Naziding". Velen vluchtten naar het buitenland. Zoals de beroemde schrijver Thomas Mann, die van zijn conservatieve geloof viel en het nationalisme nu een protserig gevoel noemde, Hitler de eigenlijke loopjongen van het kapitaal en het nationaal-socialisme een instrument tot instandhouding van het door het socialisme bedreigde economische en maatschappelijke stelsel.

Het Nederlandse geïllustreerde weekblad 'het Leven' stuurde in april 1933 kritiekloze verslaggevers naar Duitsland.

's Nachts zien de redacteuren van het Leven in café's in Düsseldorf veel grijze en bruine uniformen .... Luide schetteren de marsfanfares door de goedgevulde zalen. Gezicht en houding van de uniform-jongens stralen welbewust van macht .... Af en toe verschijnen patrouilles van de S.A. of S.S in de zaal. Twee posten zich dan voor den uitgang, de rest schrijdt langs de tafeltjes terwijl ze de bezoekers controleren .... 98 % van de Joodse zaken zijn al gesloten. De volgende dag gaan de reporters naar Keulen. Daar blijkt een orgie van plak- en kalkwoede te zijn losgebroken.

Uit 'het Leven'

Op 10 mei werden in universiteitssteden tienduizenden 'onduitse' boeken in het openbaar verbrand. Erich Kästner stond er in Berlijn bij toen zijn eigen boeken onder marsmuziek en met een redevoering van Goebbels werden verbrand. Hij was er trots op dat hij op deze manier werd opgenomen bij grote schrijvers die gevaarlijk werden geacht.

De overwinningsroes van de nationaalsocialisten was groot en maakte veel indruk. Golo Mann: De gemeenschappelijke vreugde was zo veel zichtbaarder dan het eenzame verdriet en de walging. In gevangenissen werd grof opgetreden; nu en dan werden gefolterde lijken uit rivieren gevist; maar in de straten van de steden wuifden de vlaggen, genoten geüniformeerde partijleiders met hun dames van het vroege voorjaar, reden de nieuwe bazen -sigaar in de mond- in gestolen automobielen behaaglijk rond. De stemming van feestelijkheid en overwinning won het ruim van de sluipende terreur. Het is niet zo dat men in het buitenland van deze ontwikkelingen niets kon horen. Vluchtelingen deden hun verhaal. De Amerikaanse ambassadeur William Dodd, die in 1933 naar Berlijn kwam -eerst positief over het antisemitisch bewind- vond na een jaar dat de nazileiders die hij ontmoette volkomen irrationele, rancuneuze, onbetrouwbare lieden waren waarbij slechts twee dingen duidelijk waren, hun jodenhaat en de voorbereiding op oorlog. Men wilde er in de VS nauwelijks naar luisteren.

De nacht van de lange messen
Ook in Duitsland ging de terreur en de opschepperij velen te ver, voor conservatieven en vooral ook voor het leger. Zij wilden orde en rust. De belangrijkste aanhang van de nazi's zat in de paramilitaire organisatie, de SA, de SturmAbteilung, met vier miljoen leden, meest arbeiders en werklozen. Ze hadden de straatgevechten met de knokploegen van de communisten en socialisten gewonnen en daarbij offers gebracht. Nu wilden ze verder gaan. Ze namen de socialistische slogans in het programma van de nazi's serieus en hoopten op een tweede revolutie, een echte socialistische. Het was, zogezegd, de linkervleugel van de nazi's, die zich gaandeweg bedrogen voelde. Maar na de machtsovername van 1933 waren de straatvechters niet meer zo nodig. Ze waren een rivaal van het echte leger en van de nieuwe knokploeg, de SS. Hitler zat gevangen tussen twee stromingen, de conservatieven en het leger aan de ene kant en de SA aan de andere kant. Als hij aan de ene zou toegeven zou hij zich aan de andere uitleveren. In het voorjaar van 1934 liepen de spanningen hoog op. Op 30 juni 1934 volgde 'de nacht van de lange messen', ook wel -misleidend- de Röhmputsch genoemd. Ernst Röhm was de aanvoerder van de SA en -hoewel homoseksueeel- een van de oudste getrouwen van Hitler. In drie dagen werden meer dan 85 SA-kopstukken en belangrijke militairen doodgeschoten, en tegelijk ook nog wat anderen waarmee de nazi's een rekening te vereffenen hadden. Hitler hakte van beide richtingen, maar vooral van de linkse, de koppen af; hij nam nu ook de rol van opperrechter en beul aan en liet zich kort daarna, per decreet, tot staatshoofd en legeraanvoerder benoemen. De reden die de nazi's voor de moorden gaven was -zoals zo vaak bij dit soort gevallen- dat de anderen met een staatsgreep bezig waren geweest. Het Nederlandse weekblad "het Leven" nam deze verklaring klakkeloos over. Shelldirecteur Deterding maakte geen geheim van zijn instemming. In een brief aan de Haagse fascist Jonkheer Groeninx van Zoelen schreef hij: "Wat in Duitschland gebeurd is, moest gebeuren; mijn verering en hoogachting van Hitler is zoo mogelijk nog gestegen".

Na deze nieuwe klap was er in Duitsland geen openlijk protest meer, de antifascistische krachten waren ondergedoken, opgesloten, vermoord of gevlucht. Veel geblevenen betuigden hun instemming, de dictatuur was populair. Hans-Jürgen Massaquoi had een Liberiaanse vader en groeide in Hamburg op. Hij werd op straat vaak nageroepen: 'Neger, neger, schoorsteenveger' en op de speelplaats in zijn buurt werd hij bij de wip weggestuurd nadat er een bordje met de tekst 'Streng verboden voor niet-Ariërs.' was verschenen. Toch was hij een grote bewonderaar van Hitler: de nazi's hadden de mooiste uniformen en de beste muziekcorpsen. Hij liet zelfs een hakenkruis op zijn trui naaien en ging daar trots mee op de foto. Op de lagere school hoorde hij later dat 'hij en zijn slag aan de beurt zouden komen zodra Hitler met de Joden klaar was'.

Voor velen leek Hitler met zijn redenaarstalenten een magiër. Zijn gevoel voor verleidelijke massaspektakels en het uitgekiend gebruik van nieuwe media als radio en film betoverden de Duitsers. Hij wist dit spel heel goed te spelen. Zijn vaste thema's: de vernedering van het vredesverdrag van Versailles, het platte sociaaldarwinisme waardoor de sterken de zwakken mogen uitroeien, de haat tegen Joden en socialisten, waren niet origineel maar algemeen gangbaar. Goebbels, de guru van de marketing, was de reclamechef van Hitler en werd nu minister van propaganda. Hij had een multimediale aanpak, gebruikte radio, kranten, film en de openbare ruimte; met vlaggen, optochten en massabijeenkomsten. Het hele jaar was onderverdeeld in hoogtijdagen, met om de paar weken weer spectaculaire campagnes die tot diep in de provincie doordrongen. Alle dagen feest. Ondertussen liepen nog steeds de knokploegen langs de café's om mensen in elkaar te slaan die zich negatief over het regime uitlieten. In 1935 kreeg de pacifist Carl van Ossietsky de Nobelprijs voor de Vrede. Hij kon hem niet in Oslo afhalen want de nazi's weigerden hem een paspoort. Sommige Duitsers hadden best door wat er gebeurde. Friedrich Kellner, gerechtsambtenaar in een provincieplaats, hield een geheim dagboek bij, dat trouwens pas in 2011 gedrukt werd: "Adolf Hitler verbeeldt zich een profeet te zijn. Hij is niet meer dan een heel klein mannetje, die het grote geluk had een laf, zwak, murw geestesziek volk te vinden met een intellectuele elite, die zelfs het touw niet waard is om stuk voor stuk te worden opgeknoopt".

Op economisch gebied had het bewind geluk, het tij mee. De wereldeconomie begon tekenen van herstel te vertonen. Hitler gaf niet om economische kwesties, als mislukte schilder was hij een bohemien die behalve van absolute macht vooral van architectuur hield. Maar hij bediende zich van Hjalmar Schacht: kundig, daadkrachtig en fantasievol op het gebied van economische maatregelen. Schacht ging uit van de ook nu nog ketterse gedachte dat geld geen absolute waarde is, maar eerder een nuttige illusie, een collectieve waan, een middel om de boel aan de praat te krijgen en te houden. Zijn praktische oplossingen wonnen het van de klassieke theorie van de school van Ricardo. Hij slaagde erin veel geld te scheppen zonder dat er inflatie optrad. Investeringen van de overheid stimuleerden de productie en de inkomens. Dat werkte: braakliggende arbeidskracht en onvervulde behoeften en belangen werden gecombineerd. Het was Keynes avant la Keynes, zoals ook bij Roosevelt in de VS na 1932. Allerlei werkgelegenheidsplannen van vorige regeringen die, vanwege hun 'bolsjewistische karakter' waren weggestemd (toen er nog vakbonden en een parlement bestonden) werden nu versneld uitgevoerd. Ondernemers als Krupp en IG Farben wilden de plannen van Schacht wel voorfinancieren, kredieten geven, zelfs voor niet-rendabele projecten, waarschijnlijk in de hoop dat de leningen later uit de roof in veroverde gebieden zouden worden terugbetaald. De maatregelen en projecten werkten goed uit voor de bevolking. De werkloosheid nam sterk af. Binnen twee jaar ging de levensstandaard omhoog: mensen kregen meer te eten en meer kleren. Oude huizen werden opgeknapt en er werden nieuwe gebouwd. Machines werden gerepareerd en grote wegen, de Autobahnen, aangelegd. Er kwamen ook allerlei sociale voorzieningen zoals vakantiegeld, kinderbijslag, betere pensioenen en gratis gezondheidszorg. Vanaf 1935 nam de werkgelegenheid in de bewapeningsindustrie krachtig toe. Het wás geen wonder maar de Duitsers vonden het na alle ellende wel een wonder. Dat maakte het bewind erg populair. Iedereen werd ook een autootje beloofd, de Volkswagen Die kwam pas na de oorlog omdat er in Wolfsburg eerst tanks moesten worden gebouwd.

In 1936 waren er Olympische Spelen in Berlijn. Ze waren omstreden omdat het racisme en de terreur inmiddels bekend waren. De Nederlandse bonden van boksers en turners deden daarom niet mee. Die van de atletiek wel, maar Tollien Schuurman en Bets ter Horst - de eerste vrouw die trouwens met blote benen sportte- weigerden voor Hitler te rennen. Voor het regime werden de spelen een groot succes. Ze waren perfect georganiseerd, de bordjes "verboden voor Joden" werden tijdelijk verwijderd, Joden mochten zelfs voor Duitsland nog even meedoen aan de spelen. Atleten en hun begeleiders werden in de watten gelegd en Duitsland won vele medailles. De wereld kreeg het beeld voorgeschoteld dat er in Duitsland niets aan de hand was. Het bewind had twee gezichten: dat van de terreur en dat van de mooie woorden, de beloften die werden verbroken wanneer dat beter uitkwam. De machtsstructuur van het 'derde rijk' zorgde ervoor dat het geweld zichzelf versterkte. Het was geen strak geordende pyramide, de inrichting van de staat was schimmig; verschillende ministeries en afdelingen van het leger concurreerden met elkaar om het meest efficient of rücksichtlos te zijn. Het was een jungle waarin lagere goden initiatief konden nemen en radicale daden werden beloond zoals in de roman de Onderdaan van Heinrich Mann.

Halverwege de jaren 30 leken de nazi's door hun politieke vijanden heen te raken. Nu werd de onderdrukking van de Joden opgevoerd. In 1935 werden met de Neurenberger wetten aan de Joden hun burgerrechten ontnomen. In Nederlandse kranten leidde dat tot geen enkele paniek of verontwaardiging, men was kennelijk al gewend aan grensverleggende grofheden. In 1938 noteert het Algemeen Handelsblad dat Joden massaal worden ontslagen; de rest van het artikel gaat over de geestdrift die Hitler overal oproept. In dat jaar was er weer een aanleiding voor de uitbreiding van de terreur. In Parijs schoot de zeventienjarige Pools-Joodse vluchteling Herschel Grynspans een Duitse diplomaat dood. Dat was voor de nazi's een geschenk uit de hemel. In de nacht van 9 op 10 november volgde de "Kristallnacht", zo genoemd vanwege de verbrijzelde etalageruiten van geplunderde Joodse winkels. 7500 Joodse winkels, bedrijven en ziekenhuizen werden vernield. Honderden, sommigen zeggen duizenden, synagoges werden in brand gestoken. Talloze Joden werden aangevallen en mishandeld, vierhonderd van hen werden omgebracht of tot zelfmoord gedreven. Goebbels verklaarde de volgende ochtend tegenover de buitenlandse pers ijskoud dat de Joden geen haar was gekrenkt.

Voortijdige antifascisten
Spanje had in de dertiger jaren nog weinig ervaring met verkiezingen of democratie. Afgezien van wat industriële ontwikkeling bij Barcelona was het een feodaal land waar grootgrondbezitters en de katholieke kerk de dienst uitmaakten. Het anarchisme -geen god, geen meester- was onder (land)arbeiders de belangrijkste politieke stroming. Rond de verkiezingen in februari 1936 liepen de spanningen hoog op. Er was een geweldige overwinning voor het Volksfront, een verzameling van gematigde linkse partijen. Daarop volgde een putsch, een staatsgreep van het leger onder leiding van generaal Franco, aanvoerder van het vreemdelingenlegioen in de kolonie Marokko. Volgens George Orwell "hadden de zogenaamd democratische landen jarenlang stap voor stap toegegeven aan het fascisme. De Japanners hadden hun gang kunnen gaan in Mantsjoerije. Hitler was zonder moeite aan de macht gekomen en was daarna zijn politieke tegenstanders van alle schakeringen gaan uitroeien. Mussolini had de Abbessijnen (Ethiopië) gebombardeerd terwijl 53 naties mompelden in de coulissen .... Maar toen Franco probeerde een gematigd linkse regering omver te werpen, was het Spaanse volk tegen alle verwachtingen in, tegen hem in opstand gekomen."

De coup ging over in een burgeroorlog. Buitenlandse bemoeienis speelde daarbij een belangrijke rol. Democratische landen steunden de wettige regering van Spanje niet, Frankrijk weigerde zelfs eerder aan Spanje beloofde wapens te leveren. Door hun tegmoetkoming aan het geweld hoopten democratische landen het oorlogsgevaar af te wenden. Apeasement of de komedie van de niet-inmenging werd het genoemd. De Spaanse republiek was daarvan een van de slachtoffers.

De strijdkreet van de militairen was Viva la Muerta, leve de dood. Vergeleken met de Italiaanse en Duitse fascisten streefde Franco trouwens naar een meer ouderwetse vorm van dictatuur waar hij opkwam voor de landheren en de kerk. Hulp voor de Spaanse regering kwam alleen maar van de Sovjet-Unie(!), van Mexico en van internationale vrijwilligers. Voor de militairen was veel meer buitenlandse steun. Al vóór de coup had Franco zich verzekerd van de steun van Mussolini, Hitler en het Vaticaan. Volgens de latere leider van de Nederlandse communisten Paul de Groot had ook Shell financiële bijstand beloofd in ruil voor het petroleummonopolie op de Spaanse markt. De militaire inmenging van Duitsland en Italië was omvangrijk: ze zetten allebei troepen en vliegtuigen in, zonder kenteken overigens. De Duitse Heinkels en Messerschmidts-109 waren sneller en hadden een groter bereik dan de Russische vliegtuigen. Zo hadden de fascisten een voorsprong op het gebied van zware wapens. Het bombardement op Guernica, voorloper van de bombardementen op Rotterdam en Coventry, was voor Duitsland vooral een oefening voor het leger, voor de oorlog en om te kijken hoe andere landen op deze machtsuitbreiding zouden reageren.

De militaire hulp van Rusland was veel kleiner dan die van Italië en Duitsland. Maar in sommige gevallen was deze hulp doorslaggevend. Onder de buitenlandse vrijwilligers in de burgeroorlog waren veel communisten uit allerlei landen. Door de Russische wapens kregen ze in de strijd een veel grotere invloed dan overeenkwam met hun bescheiden aanhang onder de Spaanse bevolking. De politieke prijs die voor de steun van Rusland werd betaald was enorm. Deelname aan de burgeroorlog werd vanuit Moskou centraal gestuurd als onderdeel van de Russische buitenlandse poltiek. Communisten hielden van hiërarchie en efficiency; anarchisten waren individualistischer en meer voor vrijheid en gelijkheid. Net als in Moskou begonnen nu de communisten hun (vermeende) tegenstanders uit te roeien. In december 1936 schreef het belangrijkste dagblad van de Sovjet-Unie, de Pravda (de Waarheid): In Catalonië is de zuivering van Trotskisten en Anarchisten al begonnen, ze zal met dezelfde energie als in de Sovjet-Unie worden doorgevoerd. Zo ontstond er een burgeroorlog binnen de burgeroorlog, een worsteling tussen communisten aan de ene kant en anarchisten, gewone democraten en anti-stalinistische communisten, Trotskisten genoemd, aan de andere kant. Deze onderlinge strijd aan de regeringskant speelde de opstand van Franco in de kaart.

Aan de democratische kant vochten veel vrijwilligers mee. Schattingen over het aantal lopen zeer uiteen: van 8.000 of 10.000, naar 18.000 en zelfs tot 35.000. Eerst kwamen ze uit Italie en Frankrijk, van alle politieke richtingen, tot liberalen toe. Via Barcelona bereikten veel gevluchte Duitsers, roden en Joden, het front. Een deel van de vrijwilligers had in de eerste wereldoorlog gevochten en bracht militaire ervaring mee die bij de Spaanse anarchisten ontbrak. Er waren veel (later) beroemde schrijvers bij: Ilja Ehrenberg uit Rusland, Ernest Hemingway uit de VS, Simone Weil uit Frankrijk, Madeleine en Arthur Lehning uit Nederland en Albert Helman uit Suriname/Nederland. Helman was even aan het front maar schreef vooral over de strijd, voor de Groene Amsterdammer en de Nieuwe Rotterdamse Courant. De krant beëindigde de samenwerking omdat ze liever Franco zagen winnen. Joris Ivens filmde in 1937 de documentaire "Spaanse Aarde." Sommige vrijwilligers hadden last van de kloof tussen hun overtuigingen en het Russische belang, de verlammende strijd tussen de communisten en ander links. George Orwell: Als soldaat bij de militie werd je een soldaat tegen Franco, maar je was ook een pion in de enorme worsteling tussen twee politieke theoriën. De amerikaanse anarchiste Emma Goldman haakte snel af, ze zag weinig kansen voor verbetering. Ook Orwell viel van zijn geloof, net als Dos Passos en Jef Last, ze vreesden een communistische politiestaat. Helman stond aan de kant van de anarchisten; hij werd zelfs door de communisten opgepakt en verhoord.

Tussen de 600 en 800 Nederlanders namen deel, waaronder 20 verpleegsters. De buitenlanders vormden internationale brigades, de Hollandse brigade, de "Zeven Provinciën" werd genoemd naar de kruiser waarvan de bemanning in 1933 had gemuit tegen de slechte arbeidsvoorwaarden bij de koloniale marine. Beroemd in Spanje werd de Rotterdamse Fanny Schoonheyt. Ze werd vaak door kranten daar geïnterviewd en had de bijnaam de koningin van de mitrailleur. Nederlandse deelnemers waren vooral politiek gemotiveerd. Maar ze deden het ook vanwege het avontuur en soms vanwege de werkloosheid. Jaap Gons uit Amsterdam had de zeevaartschool afgemaakt en zeven jaar gevaren. Maar hij kon geen werk vinden, want dat IJ, daar bij Schellingwoude, dat lag vol met zeeschepen .... hele knoerten van vrachtboten lagen er aan de ketting. Dus een heel leger zeelieden, van matroos tot en met kapitein, liep werkloos. Sommigen hadden wel twijfels of ze bij de burgeroorlog van nut zouden kunnen wezen. Zoals Arie van Poelgeest die lang in de binnenvaart had gewerkt. Ik dacht, wat moet een ouwe schipper in de bergen van Spanje, daar komt toch niets van terecht. Maar dat viel mee .... op een schip moet je overal op letten, anders lazer je overboord. Want het is klein en alles is smal. En dan ga je op een gegeven moment meer opletten dan een ander. Ik zag een heleboel dingen die een ander niet zag en dat moet je in de oorlog gebruiken.

De Zeven Provinciën

De Nederlandse vrijwilligers hadden vaak omgang en ervaring met vluchtelingen uit Duitsland. Daardoor zagen ze de tijden anders dan veel anderen. Van Poelgeest: We wisten toch wel, we krijgen een grote oorlog, hierna. Toen we het zeiden lachten ze ons wel uit want het was ver van het bed. Maar het begon met Abbessynië. En toen kwam Spanje en toen -laat me maar de hele rij opnoemen- eerst het Rijnland, Oostenrijk, Tjecho-Slowakije, noem maar op. En toen zaten we er middenin, in ene, en toen waren ze nog verbaasd ook. Maar het was gewoon een logische ontwikkeling.

Aan het front vielen ongeveer net zoveel doden als onder burgers: 200.000. Van beide kanten was de strijd bitter en wreed. Bij Granada werd de dichter Lorca gefusilleerd. Omdat hij tegen de fascisten was (en homo). Aan de andere kant vermoordden woedende massa's priesters en nonnen. De vrijwilligers betaalden een hoge prijs: velen sneuvelden. Voorzover Nederlanders het overleefden raakten ze hun paspoort kwijt. Als statenloze werden ze tijdens de bezetting als eersten naar concentratiekampen afgevoerd. Als ze dat overleefden konden ze na de oorlog niet stemmen of naar het buitenland reizen terwijl ze zwaar gehinderd werden in het vinden van betaald werk. Ook andere nationaliteiten hadden later last van hun inzet. Milton Wolff was commandant van de Amerikaanse brigade. Later, tijdens de tweede wereldoorlog, werkte hij voor de Amerikaanse geheime dienst. Maar in 1945 werd hij meteen ontslagen. Mensen als ik die het tegen hem (Franco) hadden opgenomen, kregen op onze legerdossiers het stempel PA, premature antifacsist. Bij de Amerikaanse brigade vocht ook de Rotterdammer Bart van der Schelling. In 1926 als verstekeling illegaal naar de VS geëmigreerd; dat deed hij in 1940 nog een keer. Hij werd beroemd als zanger. Maar rond 1950 raakte ook hij verdacht als voortijdige antifascist. Hij vluchtte naar Mexico waar hij als schilder veel succes had.

Franco stierf in 1975 in bed terwijl hij nog aan de macht was. Met de verwerking van dit verleden heeft Spanje het nog moeilijk. Zo zijn er nog standbeelden en straatnamen die het fascisme eren. En daar is dan weer protest tegen.

Anton de Kom
De Surinaamse boekhouder Anton de Kom werkte in de twintiger jaren in Den Haag als vertegenwoordiger in koffie, thee en tabak. Hij vervulde zijn dienstplicht bij de Huzaren, trouwde, was actief in linkse organisaties en trok op met Indonesische nationalisten zoals Mohammed Hatta. Wegens ziekte van zijn moeder keerde hij in januari 1933 naar Suriname terug. Daar sluimerde verzet en werd hard ingegrepen. De 18-jarige White (what is in a name) had in 1932 op een schutting "Weg met X" geschreven en werd in een krankzinnigengesticht opgesloten. Terwijl het gezag de Kom scherp in de gaten hield werd hij bij aankomst door een menigte als verlosser begroet. Hij zag de werkloosheid, de honger, de kindersterfte, hield onder de mangoboom op het erf van zijn vader spreekuur en noteerde binnen een maand 1500 klachten. Hij wilde 'het diep verankerde minderwaardigheidsgevoel van zijn landgenoten bestrijden', de arbeiders organiseren over de verschillen van ras en cultuur heen.

Anton de Kom

Bij een vreedzame demonstratie van vooral Javanen werd hij gearresteerd. Een paar dagen later was er weer een optocht. 'Van rumoer of gewelddadigheid was nog steeds in het geheel geen sprake. Men weigerde echter rustig uiteen te gaan en hierop vielen vlak na elkander de beide salvo's, die 22 zwaargewonden en 2 doden tengevolge hadden'. Zonder proces hield men de Kom drie maanden gevangen en deporteerde hem toen naar Nederland. Zijn boek, de aanklacht 'Wij slaven van Suriname' verscheen, gecensureerd, in 1934. In de oorlog zat hij in het verzet, schreef in de ondergrondse pers en overleed april 1945 in het concentratiekamp Neuengamme. De tweede, ongecensureerde, druk van 'Wij slaven van Suriname' verscheen in 1971 en na 1981 zijn er nog acht drukken verschenen.

De belangstelling voor de Kom neemt toe. Zijn kleinzoon Antoine de Kom, psychiater en bekroond dichter, bestrijdt op zijn manier nog steeds het diep verankerde minderwaardigheidsgevoel. Inmiddels staan er standbeelden van de Kom in Paramaribo en Amsterdam en is de Surinaamse universiteit naar hem genoemd, net als straten, een brug en een plein in Paramaribo, Den Haag, Zaanstad en de Bijlmer.

Scheepvaart
De crisis trof de Nederlandse scheepvaart hard. De prijzen op de wereldmarkten stortten razendsnel in waardoor de internationale handel terugliep en daarmee ook de behoefte aan scheepsruimte. Zelfs het weer zat tegen. De Europese graanoogst was in 1929 zeer overvloedig. Daardoor hielden de graantransporten uit Australië en Noord- en Zuid-Amerika vrijwel op. De graanprijzen en de vrachttarieven in de wilde vaart daalden hierdoor op ongekende wijze. Een klap voor de Nederlandse scheepvaart vormde verder de devaluatie van het Engelse Pond in september 1931, met 25 %. Veel andere landen volgden dit voorbeeld. Nederlandse reders werden voor hun vervoer vaak in Ponden uitbetaald. De inkomsten namen dus met een kwart af, terwijl de meeste kosten: lonen, onderhoud en andere vaste lasten, in dure guldens betaald moesten worden. Zo werd de concurrentiekracht van de Nederlandse zeevaart ondermijnd. Doordat er zo weinig ladingen beschikbaar waren leefde de schipperij tussen 1933 en 1936, in de woorden van Lou de Jong, 'op de grens van het pauperisme'. Aandelen van scheepvaartbedrijven werden vrijwel waardeloos. Vergeleken met 1921-25 waren de koersen rond 1935 tot een vijftigste gezakt. Reders zagen hun bedrijf verworden tot een kansspel met uitsluitend nieten. Een reder sprak in zijn memoires van de voortdurende, monotone en deprimerende strijd om het hoofd boven water te houden. De reders reageerden met loonsverlagingen en door de zeelui harder te laten werken, 'rationalisatie' werd dat genoemd. Loonsverlagingen waren aan de orde van de dag.

'Muiterij' op de Zeven Provinciën
Bij de koloniale marine in 'Indië' werden de lonen in januari 1933 verlaagd, met 4 % voor Europese varenslui en met 7% voor de 'Inlanders'. Dit leidde in de marinehaven Soerabaja op Java tot demonstraties en arrestaties. En tot onrust op de kruiser "de Zeven Provinciën", vernoemd naar ons verleden in de gouden eeuw. De lagere rangen van de bemanning, de 'Inlanders' maakten zich begin februari 1933, samen met Nederlandse matrozen en mariniers, van het schip meester. Ze berokkenden andere leden van de bemanning, die niet met hun actie meededen, geen kwaad en wilden met de oude kruiser naar Soerabaja varen om te onderhandelen. De reactie van de Ministerpresident Colijn was heftig. In een vergadering van zijn partij zagen wij hem zoals we hem nog nooit gezien hadden. Schokschouderend, zenuwen en spieren gespannen, met de vuist op tafel. Hij wilde het schip met een torpedo naar de bodem van de Oceaan zenden. Met deze uitspraken bevestigde hij zijn reputatie als sterke man. Er werd geen torpedo afgevuurd maar uit een vliegtuig werd een bom op het schip geworpen: 23 doden en 14 gewonden. Deze 'muiterij' veroorzaakte in Indië en Nederland een enorme schrik. Men vond de samenwerking tussen de rassen nog enger dan het protest van de arbeiders.

De Zeven Provinciën

"Inlanders", die term hoor je nooit meer. Toen was het de gebruikelijke manier om over de oorspronkelijke bevolking van koloniën te spreken. Waarschijnlijk waren de laagste rangen op de Indische vloot qua afkomst trouwens eerder Chinezen. De laatste keer dat ik het woord Inlanders hoorde was toen Ma begin tachtiger jaren bij me op bezoek was in Suriname. Ze zat op het balkon van de derde verdieping aan de zanderige Nassylaan bij het centrum van Paramaribo, keek naar de voetgangers en vroeg: "Zijn dat nou de Inlanders?" Inlanders werden destijds ook wel "inboorlingen" genoemd. In de roman "Rimboe" van Manon Székely-Lulofs, die in de dertiger jaren speelt, zit een verse koloniaal op een terrasje in Singapore en mijmert: Kijk, ik zit hier op dit hotelterras in de tropen, tussen robuuste wildwest-achtige planters en drink bier. De Inboorlingen kruipen voor me, bedienen mij met slaafse onderdanigheid. Met de dekolonisatie zijn termen als Inlanders of Inboorlingen in onbruik geraakt. Springer, onze kronikeur van postkoloniale toestanden, spreekt in de zeventiger jaren al van 'autochtonen,' in tropische landen. De oorspronkelijke bewoners van Suriname, de 'Indianen', noemen zichzelf inmiddels liever "Inheemsen", net als veel Peruanen.

In 1933 was het Nederlandse havenverkeer met tweevijfde afgenomen. Eenzelfde deel van de beschikbare scheepsruimte moest opgelegd worden, geparkeerd zeg maar, met lagere kosten voorlopig buiten gebruik gesteld. Het percentage van de Nederlandse opgelegde schepen behoorde tot het hoogste ter wereld. In 1932 was in de algemene vrachtvaart 57 %, in de grote lijnvaart 36 %, in de korte vaart 25 %, en in de tankvaart 6 % van de tonnage opgelegd. Bovendien vielen veel schepen onder de slopershand, of werden verkocht: tussen 1931 en 1935 werd meer dan 400.000 ton scheepsruimte gesloopt en bijna 500.000 ton naar het buitenland verkocht. Ieder schip dat in buitenlandse handen overging betekende een nieuwe concurrent, die met een goedkoop verworven schip tegen lagere kosten voer. Het blijft opmerkelijk dat Pa en Ma in de vaart weinig last leken te hebben van deze zware tijden Ze voeren, zoals in het vorige en volgende hoofdstuk gemeld, door de Baltische wateren en de Noordzee, vestigden zich in Rotterdam en woonden verschillende zomers in Denemarken. Kort voor de oorlog, toen het al weer beter ging, verkocht ook Pa zijn kustvaarder Spes II naar Engeland.

Er waren in deze crisisjaren voor de vaart wel enkele lichtpuntjes. De Nederlandse zeescheepvaart liep voorop in de omschakeling van stoom naar diesel. Men was daar eerst aarzelend over geweest, maar de Indische lijnen waren de eersten die op diesel overging en dat bleek later veel rendabeler. In 1938 was bijna de helft van de Nederlandse koopvaardijvloot op diesel overgegaan, voor de wereldhandelsvloot was dat toen nog maar een kwart. Ook kwamen er wat infrastructurele werken tot stand. In Amsterdam werd het Amsterdamse Bos aangelegd, in Rotterdam werd met de schop de Waalhaven gegraven. Maar de haven werd eerst niet gebruikt: er waren geen schepen. Om huur in de zomermaanden uit te sparen werd het eerst een strand voor werklozen. In de woorden van Bordewijk: "Ze zetten er hun tentje op, ze waren er de hele dag, op het harde ruwe rivierzand, grof van korrel en vaak vettig van klei, ze lagen in het brakken water, of tusschen de tentjes in de zon te midden van het krassen van de meest versleten grammofoonplaten".

Ook in de scheepsbouw was er een uitzondering op de malaise. Half in het geniep werden bij de werf Wilton-Feyenoord in Schiedam twee Duitse onderzeeboten zogenaamd voor Turkije gebouwd. Voor wie prestaties in de sport positief zijn valt verder te melden dat de zestigjarige Ko Kuyt in 1937 als eerste om de wereld probeerde te zeilen. Het lukte niet, net zo min als in 1939, maar toch. Ook in de kampeervaart waren er positieve ontwikkelingen. Jongeren konden in de tweede helft van de dertiger jaren jeugdreizen per schip maken. De jongens gingen met de 'Tarakan' van de Stoomvaart Maatschappij 'Nederland' naar Noorwegen, de meisjes met de 'Slamat' van de Rotterdamse Lloyd naar Dartmouth in Engeland. De Tarakanreizen begonnen aan de Javakade in Amsterdam. Aan boord werd gelezen, er werden spelletjes gedaan en liederen ingestudeerd; in Noorwegen werd genoten van de fraaie uitzichten en stevig gewandeld. De meisjes wandelden in Engeland ook flink, ze bezochten een kasteel en mochten een dagje winkelen. Er konden 450 jongeren op zo'n schip en er zijn een stuk of twintig reizen gemaakt. Het waren vooral middelbare scholieren. Ondanks de hoge prijs van 25 gulden waren de reizen zeer populair, beroemd. Er werden verschillende boeken aan gewijd. Na de oorlog heeft men nog wel eens zoiets geprobeerd maar het liep van geen kant meer.

De misére in de zeevaart eindigde pas met de devaluatie van 26 september 1936 waarmee de gulden internationaal een kwart goedkoper werd. De wind ging voor de scheepvaart gelijk gunstiger waaien. Nu zat het weer juist weer mee: een grote droogte in de VS en mislukkende oogsten in Europa maakten grote transporten van graan uit overzeese gebieden noodzakelijk.

Voor ik de ekonomische en politieke geschiedenis van Nederland in de dertiger jaren verder schets sta ik even stil bij twee ontwikkelingen in de havenwijken van Rotterdam en Amsterdam: de komst van Chinezen en van de Jazz.

Chinezen
In 2014 werd gevierd dat er sinds honderd jaar mensen van Chinese afkomst in Nederland wonen. Het zijn er tegenwoordig ongeveer 100.000. In de twintigste eeuw waren Chinezen de eerste grote groep niet-westerse buitenlanders die zich hier blijvend vestigde. Dat kwam vooral door de scheepvaart. In het begin werkten ze als stokers en kolentremmers op de grote vaart. In 1911 werden er door de Rotterdamse Lloyd in Londen zelfs 300 Chinezen geronseld om een staking van Amsterdamse havenarbeiders te breken. Later waren Chinezen in de grote vaart ook actief als sjouwers, matrozen en koks. Ze spraken Mandarijn of Kantonees en gebruikten wel opium, de passiviteit die dat meebracht kwam de werkgevers goed uit. Tussen twee banen, tussen het afmonsteren en aanmonsteren woonden de zeelui in armoedige logementen, 'boarding houses', in Rotterdam in de havenbuurt Katendrecht, in Amsterdam rond de Gelderse Kade en de Binnen Bantammerstraat.

In hoofdstuk acht vertelt Pa over de drie jaar na 1919 dat hij als matroos de oceanen bevoer. In zijn schaarse vrije tijd ging hij de wal op en maakte een paar opmerkingen over Chinezen. In Hong Kong had hij een dag vrij om te passagieren."We gingen met de kabelbaan de berg op. Maar die ging niet helemaal tot boven, dus stapten we over in een vierkante bak die door twee Chinezen naar de top van de berg werd gedragen." Een andere opmerking maakt hij bij zijn bezoek aan de havens Kobe en Daires in Mansjoerije, in het noorden van China: "Daar liepen de Chinese mannen nog met lange vlechten en de vrouwen op loden schoentjes zodat we haast niet konden zien of er nog voeten aanzaten. Dat was een overblijfsel van het oude geloof." Bij Pa's verhaal over de zeevaart meld ik wat voor werkzaamheden en rangen er op deze grote schepen waren. De Chinezen in de laagste rangen heb ik daarbij vergeten. In dit over het hoofd zien ben ik niet de enige. Bij de bronnen over de 'muiterij' op de Zeven Provinciën worden de Chinezen in de laagste rangen van de marine wat misleidend Inlanders genoemd. Eén keer heeft Pa het over zijn Chinese collega's. Toen zijn schip San Francisco aandeed meldt hij: "De bij ons varende Chinezen mochten niet van boord. Uit angst dat ze toch zouden immigreren werden ze de hele dag in een loods opgesloten".

Een deel van de Chinese zeelui vestigde zich blijvend in Rotterdam en Amsterdam, sommigen trouwden met Nederlandse vrouwen. Ze hadden geen opleidingen die hier erkend werden maar startten onder meer wasserijbedrijven en restaurants. De vorming van Chinatowns gebeurde in alle grote havensteden van de wereld, zoals Londen of San Francisco. In Katendrecht woonde men in verwaarloosde, sombere huizenrijen waartussen hier en daar kleine restaurants, hoerencafeetjes, zeeliedenkosthuizen, gokhuizen en opiumkitten. Gokken en drugs werden gedoogd. Nederlandse jongeren werden door hun ouders gewaarschuwd voor de lonkende vrouwen en het gele gevaar. Bij de huizen van zonde, vertier en verdoving hingen bij de deuren wel bordjes 'verboden voor blanken'. Tijdens de crisis werden veel Chinezen door werkloosheid getroffen. Een deel ging langs de straat met pinda's venten, zodat de term 'Pindachinezen' in zwang kwam. De schrijver Hotz herinnert zich een gesprek aan het strand uit 1935

"Ik vertrouw die pindamannen niet".

"Nou", zei moeder bits, "ik vertrouw die Duitse dienstmeiden anders nog minder".

In de mijnen in Limburg werkten ook al Tjechen, Hongaren, Yougoslaven en Italianen. Bij de massa-ontslagen tijdens de depressie werden ze meer dan anderen getroffen zodat hun aantal tussen 1931 en 1935 van twaalf naar vijfduizend terugliep. Duitse dienstmeisjes verdwenen door de economische opleving in Duitsland haast vanzelf. De helft van de hier gevestigde Chinezen was boven de veertig; door het zware werk in de vaart waren ze soms invalide of liepen verhoogde risico's wat betreft de gezondheid. Men wou ze kwijt en ontwikkelde repatriatieplannen om van zieken en ouderen af te komen. In 1936 werden er duizenden zeelieden naar China teruggestuurd. De Rotterdamse politie hield razzia's, hoofdcommissaris Einthoven blonk uit in 'fanatieke deportatiedrift'.

Jazz
De jazz vormt een verhaal apart. Het was oorspronkelijk een muziekvorm van de Amerikaanse negers, zoals de spirituals en de blues. Ze werd na de eerste wereldoorlog populair. Radio, film en grammofoon speelden een rol bij de verspreiding. Met de jazz kwamen in de twintiger jaren ook nieuwe dansstijlen zoals de Charleston in de mode, eerst bij studenten, wat later bij het grote publiek. Blanken konden ook van Jazz genieten (en het later ook uitstekend uitvoeren) getuige de opmerking van Anton de Kom over Paramaribo in het begin van de dertiger jaren: onder de tonen van de hot jazz (negers zijn goed genoeg om hun meesters met temperamentvolle muziek te vermaken), verdrinken vele rijke blanken hun zorgen.

In navolging van New York en Parijs kwam in artistieke kringen de Jazz in de mode. Maar deze muziek stuitte op veel kritiek, ook vanwege vooroordelen over rassen. Naar verluidt kreeg Nola Hatterman van een brouwerij de opdracht om op een Amsterdams terras een man met een glas bier te schilderen. Ze schilderde een deftige, zwierige man, in pak, met hoed en vlinderdas: Jimmy van der Lak, zanger, tapdanser, bokser, chef-kelner en filmacteur. Het was echter een zwarte man. De brouwer, bang voor een dalende omzet van zijn bier, liet de koop van het schilderij niet doorgaan.

Klassieke componisten en musici zagen de Jazz als een barbaarse invasie, een bedreiging voor de kunst. De degeneratie der tijden, aldus één componist, vindt in haar een klinkend symbool; een ander stelde de Jazz op één lijn met drank en tabak: bij veel gebruik verderfelijk voor de reinheid en ontvankelijkheid van de geest. Dit protest van musici was van esthetische aard maar werd in de crisis ook ingegeven door de concurrentie van de 'buitenlandse' musici. De veroordeling was verder vooral van morele aard. Walging en weerstand kwam van allerlei opvoeders, van roomsen en roden, van protestanten en fascisten. Men sprak over grammoreel- en saxofoon-narigheid. Protestanten waren tegen onbeschaafde heidense negers ....die zo goed als naakt dansen op het toneel. Sociaaldemocraten hadden het over de gemakzuchtigen en genotzuchtigen van een ontaarde samenleving in verval, onderdeel van de burgerlijke schijnbeschaving. Jeugdleiders maakten zich zorgen over de zeden en de verwildering van de vrouw, de bandeloosheid van negers ook. De moderne dansen boden de mannelijke partner de gelegenheid zich op zinnenprikkelende wijze op te dringen aan een meisje. Sommige katholieken spraken zelfs van pornografische muziek. Men waggelt en wiegelt als ganzen .... De heidense dansen brengen een roes van zinnelijkheid, daar worden de mannen bedwelmd .... We zijn in de leer gekomen bij wilde, barbaarse volksstammen, we dansen gelijk de wilde kaffers door den Duivel van het door ritme bezeten semi-nikkers, tot erotische waanzin opwindende perverse bewegingen, dat gaat naar de verboden daad toe die de ondergang voor vrouwen zouden kunnen betekenen.

Het zijn achteraf wat bizarre opmerkingen, over die 'semi-nikkers' ook. Was de muziek minder schadelijk en schandelijk geweest als ze werd uitgevoerd door musici van zuiver Afrikaanse herkomst? Een 'Regerings-commissie inzake het dans-vraagstuk' concludeerde dat "het zedenbederf in zijn uitingsvorm in hoofdzaak Amerikaans is: in de onsamenhangende massa als de Amerikaansche moet de binding worden verkregen in de instinctieve sfeer. De negers beschikken over een grootste instinctieve levenskracht". Deze klacht over amerikanisering is begrijpelijk omdat zwarte Amerikanen ook daar toen al, net als Moslims tegenwoordig hier, op alle gebieden de dienst uitmaakten.

Ook in Duitsland was de Jazz erg in trek, vooral bij de jeugd van de 'betere standen'. Het begrip bestond toen nog niet maar er zat een subcultuur aan vast. Men danste op Hot Jazz, op Swing, op muziek van Louis Armstrong, Glenn Miller en Benny Goodman. Jongens knipten hun lange haren in 'hot-schnitt', kleedden zich in Engelse stijl; met regenjas, liefst trenchcoat, wijde pijpen, stropdas, sjawls, schoenen met crpezolen, een opgerolde paraplu in de hand en het dagblad the Times onder de arm. Men had bepaalde gebaren en een eigen taaltje, sprak elkaar aan met Swing-Boy en Swing-Baby en groette elkaar met 'Hot Hitler'. Deze jongeren bedoelden het niet politiek maar de nazi's vonden een dergelijke levensstijl een vorm van ketterij, een provocatie. Het gedweep met buitenlandse modes stond haaks op ideale nazi-jeugd: dat waren stoere jongens, klaar voor de oorlog, en moederlijke meisjes. Na de machtsovername in 1933 begonnen de maatregelen. Het muziekbedrijf moest ge-ariseerd worden, "fest und unlösbar verwurzelt im Mutterbodem des eigenes Volkstum". Onder de bijna 100.000 Duitse muzikanten waren veel Joden, die werden met de Neurenberger rassenwetten in 1935 het werken onmogelijk gemaakt. Velen vluchtten naar Nederland. Muziek van de zeer populaire Benny Goodman werd nog tot 1937 gedoogd maar toen ontdekte men dat hij "Swingjude" was nadat hij had deelgenomen aan een benefietconcert voor de Republikeinse slachtoffers van de Spaanse burgeroorlog. Maar het uitroeien van de Jazz was niet makkelijk, alleen in Berlijn waren al 10.000 gelegenheden waar muziek werd gemaakt en gedanst. En de vervolging was ook niet consequent: in Frankfurt werden de Swing-Heinis gedoogd en Goebbels liet topmusici voor Duitse propagandazenders swingsongs spelen met aangepaste anti-geallieerde en antisemitische Engelse teksten.

Jazz werd vooral gespeeld in de havenbuurten, in Rotterdam op Katendrecht en in Amsterdam op de Zeedijk, in de Nes en de Warmoesstraat, straten vol drank en ontspanning. Bezorgd over hun goede naam reageerden uitbaters van horeca op de negatieve beeldvorming door strenge eisen te stellen aan het uiterlijk en gedrag van de muzikanten. In 1933 werd de drankwet aangepast. Men mocht nu alleen nog maar dansen in gelegenheden met een drankvergunning; de dansvloer mocht niet groter zijn dan een kwart van de hele zaal en er mocht niet meer dan één paar per vierkante meter dansen. Er veranderde niet veel en het ging de moraalridders ook niet ver genoeg. De Amsterdamse commissaris van politie Versteeg zag Surinamers als een bedreiging voor de openbare zedelijkheid. 'de practijk leert dat kleurlingen voor veel jonge meisjes een zekere sexuele attractie vormen'. De politie wou geen 'negercabaret'. De gemeente wilde de "Dijk", de zeemansbuurt bij de Zeedijk, straten met misdaad en prostitutie 'civiliseren'. Zij voerde een uitstervingsbeleid: drankvergunningen werden nog mondjesmaat verstrekt en muziekvergunningen later helemaal niet meer.

Ondanks hun Nederlandse paspoort hadden Surinamers grote moeite om een werkvergunning te krijgen. Vanwege mogelijke contacten tussen jonge vrouwen en zwarte artiesten stelde commissaris Versteeg in 1936 aan de burgermeester voor om het Negro-Palace op het Thorbeckeplein en de Negro Kit Cat Club aan de Wagenaarstraat te verbieden Surinaamse artiesten of kelners in dienst te nemen. De commissaris vond het optreden van deze 'menschapen' walgelijk om aan te zien. Op 18 december 1936 rapporteerde hij dat de oprichter en voormalige manager van de Negro Kit Cat Club, de Surinamer F. W. Reigman, die daar drumde onder de artiestennaam Reddie Johnson, een meisje van 15 of 16, H. B. S. leerlinge van vrij goeden huize,"onzedelijk betast" zou hebben. De club kreeg op 23 december van burgermeester De Vlugt een aanzegging: de 'gunstvergunning' zou worden ingetrokken als per 1 januari 1937 niet al het zwarte personeel zou zijn ontslagen. De club gaf toe aan die eis en de zaak moest korte tijd later wegens gebrek aan klanten sluiten. Namens de 17 ontslagen personeelsleden stuurde saxofonist Albert Lafour, die er als kelner werkte, op 11 januari een protestbrief naar de burgermeester waarin hij aandrong op intrekking van dit werkverbod. Alle 17, waaronder de beroemde Jimmy van der Lak (Jimmy Lucky) en Max Woisky, werden nu door de politie verhoord. De commissaris meldde daarna dat er in de club niets stuitends was voorgevallen, maar evengoed was hij van mening: Een feit blijft dat het hier, naar onze inzichten, onsmakelijk uitziende, sexueel uitermate veel presterende negers betreft. Waarom moet Amsterdam het twijfelachtig voorrecht hebben, deze lieden te herbergen? Lafour kreeg een formeel en afwijzend briefje van de burgermeester. Daarna deed Reigman zijn beklag bij de ministers van Koloniën en Justitie. Daar werd hij voor gestraft. Hij werd uit de steun gezet.

Naar aanleiding van deze affaire werden er door het communistische lid van de tweede kamer Roestam Effendi, van Indonesische afkomst, vragen aan de ministers van Koloniën en Binnenlandse Zaken gesteld. Was het niet discriminerend wanneer de plaatselijke politie noodzakelijke vergunningen weigert te verlenen aan cafés, restaurants of dancings als men daar Surinamers in dienst wenst te nemen? De minister van Binnenlandse zaken zei dat er geen sprake was van discriminatie: het ging immers niet om vergunningen maar om gunstvergunningen en sommige artiesten hadden het er zelf naar gemaakt. Hij raadde het verbod zelfs aan andere gemeentes aan. Evengoed werden er geen andere gelegenheden gesloten en werd er op vele plaatsten voor de oorlog nog jazz gespeeld, ook door Surinamers en andere niet-blanken.

Het is achteraf gezien merkwaardig hoeveel weerstand zoiets als de Jazz kon opwekken, hoewel een soortgelijke afkeer van nieuwe populaire muziek en dansen zich later herhaalde bij de rock 'n roll en de beatmuziek van de vijftiger en zestiger jaren. En ook tegenwoordig is er weer een moreel offensief, nu tegen marihuana en prostitutie.

Werkloosheid
Inmiddels reden sinds mei 1932 auto's over de Afsluitdijk. Bij de moderne uitzichttoren van architect Willem Dudok was de vrolijke tekst te lezen:

"een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst"

Dat was mooi gezegd, maar eerder een bezwering dan een beschrijving, wanhopig haast, gezien de ellende en de verwarring. Overal nam de zogenaamde productie en de werkgelegenheid af. De Nederlandse export was snel met een derde gedaald en dat bleef lang zo. Door de val van het Engelse Pond werden in 1931 verliezen geleden op uitstaande vorderingen. Door de drastische politieke ontwikkelingen in Duitsland werden onze omvangrijke leningen daar onzeker. De oplossing was klassiek, een oud recept: de lonen moesten in slechte tijden dalen, dan zouden de spullen goedkoper worden en de afzet gaan stijgen. Hoe lager de lonen, des te sneller herstel. Door middel van loonsverlagingen trachtten de ondernemers hun bedrijven winstgevend te houden of verliezen te beperken.

De grootste moeilijkheden leverden zoals gezegd de crisismaatregelen in verschillende landen op. Overal had men met valutamoeilijkheden te kampen en trachtte men al het mogelijke te doen om de invoer te beperken. De tariefmuren werden zo hoog opgetrokken dat Philips gedwongen werd fabrieken in het buitenland uit te breiden. Naast de missie, handel, media en het toerisme liepen bij globalisering grote bedrijven altijd al voorop. De verplaatsing van de productie naar buitenlandse filiaalbedrijven vergrootte de werkloosheid in Nederland. Overal werden mensen ontslagen, ook bij Philips. Anton Philips in 1934: "het ellendigste voor de directeur is massaal ontslag van arbeiders, een kwelling, maar het moet gebeuren om het schip door de storm in de veilige haven te brengen". Beelden ontleend aan de scheepvaart kwamen toen meer voor dan tegenwoordig; de scheepvaart was toen nog een belangrijke bedrijfstak.

De Nederlandse regering bezuinigde. Er werd vooral gekort op onderwijs en op de steun aan werklozen. Het aantal werklozen nam van 300.000 in 1932 toe tot een half miljoen in de winter van 33/34. Naast deze ingeschreven werklozen waren er naar schatting nog 150.000 meer omdat niet alle werklozen voor steun in aanmerking kwamen. De Nederlandse werkloosheid was naar verhouding groter en duurde langer dan bij vele andere door de malaise getroffen landen. In andere landen daalde de werkloosheid tussen 1932 en 1936, in Nederland nam ze verder toe.

De uitkeringen waren nauwelijks genoeg om van te overleven. En de werkloosheid was niet alleen pijnlijk vanwege ontbrekende inkomsten: het betekende ook een straffend isolement, het was een soort ziekte of schuld, goed voor schaamte. Men moest meerdere keren per dag komen stempelen zodat men geen kans had om wat bij te verdienen. Er moesten veel moeilijke formulieren worden ingevuld en er was een enorme controle. Sommige controleurs zagen er geen been in om post te vatten bij bioscopen; waren er onder de bezoekers soms werklozen die zij van gezicht kenden? Van socialistische zijde verwachtte men bij dergelijke ellende opstand, revolutie en algemene bevrijding. Maar hoewel de grootste loonsverlagingen juist de bedrijfstakken met de sterkste vakbonden troffen, was er een grote gelatenheid waarmee de catastrofe werd ondergaan. Lou de Jong vond deze passiviteit achteraf het meest opmerkelijk.

Jordaanoproer
De uitzondering op deze apathie vormde het oproer in de Amsterdamse Jordaan. Begin juli 1934 werden de werkloosheidsuitkeringen verlaagd, van dertien naar elf en halve gulden per week. Dat was een aanzienlijke achteruitgang. Op woensdag de vierde braken na een vergadering van werklozen in de Jordaan ongeregeldheden uit waarbij de politie met straatstenen werd bekogeld. In zijn uitdagend enthousiasme deed het verzet denken aan het vroegere Palingoproer in de Jordaan. Donderdag sloeg de onrust over naar andere wijken en steden en leken de straatgevechten op veldslagen. Straten werden opgebroken, straatlantaarns vernield, bruggen rond het noordelijk deel van de Jordaan werden opgehaald zodat de politie er niet over kon. De acties waren spontaan, sociaaldemocraten en communisten werden erdoor verrast. Eén waarnemer, Gerretson, beslist geen deelnemer, een zelfverklaarde fascist en een grote bewonderaar van president Colijn, schreef hem zelfs dat "er zonder twijfel betrekkelijk veel fascistische elementen aan de ongeregeldheden hadden deelgenomen". Na een paar dagen was het al weer afgelopen. Vrijdag 6 juli werd er door snel aangevoerde militairen en marechaussees geschoten, het leger zette pantserwagens in. Zaterdag werd met veel machtsvertoon een eind gemaakt aan het verzet: 6 doden en 200 gewonden.

Het was een kansloze actie omdat de werklozen geen enkele steun kregen van arbeiders die nog wél werk hadden of van de organisaties die hen vertegenwoordigden. Ministerpresident Colijn bleef de houwdegen van het koloniale leger, hij liet zich naast een tank op de foto zetten en foeterde de burgermeester van Amsterdam uit omdat hij de ongeregeldheden niet met méér geweld had onderdrukt. Hoewel ze er niets mee te maken hadden, werden van de communisten de drukpersen en het gebouw van het dagblad 'de Tribune' in beslag genomen. Dat werd door de rechter verboden: het was niet in overeenstemming met de grondwet. Evengoed verklaarde Colijn dat hij er mee door zou gaan. Achttien Amsterdamse hervormde predikanten namen in een telegram aan de regering afstand van de rellen maar vroegen wél om de verlagingen van de werkloosheidsuitkeringen terug te draaien omdat ze zo beneden het bestaansminimum kwamen. Volgens Colijn steunden ze de communisten.

Colijn
Colijn was tussen 1933 en 1939 de aanvoerder van de anti-revolutionaire partij, de ARP, en van vier coalitieregeringen. Een gereformeerde boerenzoon, calvinist, hardwerkend, zuinig, ernstig en zeer van zijn gelijk en missie overtuigd. Pa was geen boerenzoon, niet gereformeerd maar hervormd, maar verder leek hij wel wat op Colijn. Diens loopbaan was begonnen als officier in het koloniale leger onder van Heutz met de slachtingen in Atjeh. Daarna was hij tussen 1914 en 1922 opgeklommen tot directeur bij de Shell; hij had er zo veel verdiend dat hij zich daarna in grote staat aan de politiek kon wijden. Hij werd minister van financiën en later, van 1933 tot 1939, eerste minister. Hij was geen fascist hoewel hij voor de misdadige kanten daarvan weinig oog had. Hij deelde met hen wel een voorkeur voor krachtig leiderschap, de opvatting dat de volksinvloed te ver was doorgeschoten en een diepgewortelde afkeer van 'het rode gevaar': socialisten, communisten en andere linkse radicalen. Zijn geloof in de democratie was niet altijd even uitgesproken. In 1923 had hij in de ministerraad over de tweede kamer de verzuchting geslaakt: 'Geef mij maar een sergeant en drie soldaten en ik zet die honderd kerels aan de dijk'. Colijn was autoritair, maar ja, dat was toen voor leiders de algemene stijl en mode. Hij ging graag met de adel om en had het geluk dat koningin Wilhelmina een zwak voor hem had. Zijn harde opstelling bij de 'muiterij' op de Zeven Provinciën en bij het Jordaanoproer leverden juist stemmenwinst op voor zijn gereformeerde partij. Men zag in hem de sterke man die de komst van nog sterkere mannen moest verhinderen. "Schipper naast God" is de titel van het tweede deel van de biografie van Herman Langeveld waaruit veel van deze verhalen over Colijn stammen.

Colijn als stuurman

De economische politiek van de regeringen Colijn bestond uit de sluitende begroting. Daaruit vloeiden drastische bezuinigingen voort, die aanpassingen werden genoemd. Klassieke orthodoxe liberale economie. Het huishoudboekje van de staat moet, zoals bij een gezin of bedrijf, in evenwicht zijn; men mag niet meer uitgeven dan er binnenkomt. Leningen, investeringen, veranderingen, de toekomst überhaupt, spelen in deze statische gedachte geen rol. Vanaf 1932 bleek dat de VS, Zweden, Duitsland en andere landen zich van dit dogma niets aantrokken. Om over de Sovjet-Unie maar te zwijgen. Ze hadden daar zo hun eigen problemen, maar geen last van de handelsbalans, de prijs van hun munt of een door de banksector veroorzaakte economische crisis en werkloosheid. In de herfst van 1935 publiceerde de Sdap, de Sociaal-Democratische ArbeidersPartij, een Plan van de Arbeid. Het was een alternatief voor de aanpassingspolitiek van bezuinigingen en verlagingen van lonen en uitkeringen. De sociaaldemocraten wilden flink in openbare werken investeren en daardoor de werkloosheid met tweehonderdduizend banen verminderen. Ook was er nog een restant socialisme, men wilde 'een ordening van het bedrijfsleven waardoor in de toekomst economische crises voorkomen zouden kunnen worden'. Colijn wilde er niets van weten, sprak afkeurend van 'geldinspuitingen'. In 1936 verscheen het baanbrekend werk van John Maynard Keynes: "The general theory of employment, interest and money", waarin werd uitgelegd hoe de overheid in tijden van massawerkloosheid de productie en welvaart kan stimuleren. Colijn, zo gaat het verhaal, had wel boeken van Keynes op zijn nachtkastje liggen, naast detectives, maar had geen affiniteit met de gedachten, noemde het 'fantasie-theoriën'.

De Gouden Standaard
Vastigheid in het schimmenrijk. Nederland hield lang vast aan de gouden standaard, dat was de belangrijkste kwestie in deze jaren: dat de nationale munten zoals het Pond, de Frank of de Gulden een vaste ruilverhouding met het goud hadden. De wisselkoersen tussen de verschillende valuta lagen daarmee vast.

Colijn was als minister van financiën in 1925 met Winston Churchill medeverantwoordelijk geweest voor de invoering van de gouden standaard. Maar nu ging het ene na het andere land over tot een loskoppeling van de munt van de waarde van het goud. De staten probeerden zo de eigen uitvoer te stimuleren doordat de prijs van hun exportproducten op de wereldmarkt lager werd, en de invoer te remmen omdat buitenlandse producten duurder werden. De internationale concurrentie van nationale bedrijven werd zo met andere middelen voortgezet. Het begon met de devaluatie van het Pond in september 1931 met een kwart, onmiddellijk gevolgd door de Britse Dominions en de Scandinavische landen. De Nederlandse Bank verloor daardoor 30 miljoen gulden, de aftredende president ontving evengoed een hoge ridderorde. Vervolgens koppelde de VS de dollar los van het goud. Vanaf 1933 ontstond er in Nederland een fel debat over het voor en tegen van de devaluatie. De discussie werd in juni geopend door Sir Henri Deterding, de uiterst rijke en machtige directeur van Shell. Hij was een voorstander van de devaluatie van de gulden. Colijn trok zich er niets van aan. Hij kende Deterding uit zijn tijd bij de Shell maar mocht hem niet, de man praatte hem te veel over olie, paarden en vrouwen. Deterding hield daarna in het openbaar zijn mond maar bleef achter de schermen actief.

Colijn bleef lang een tegenstander van de devaluatie. Politiek wist hij te overleven met allerlei coalitie-kabinetten van liberalen en protestantse en katholieke christenen. De Britse devaluatie waarmee het begon vond Colijn voor de Britten noodzakelijk. Het Pond was volgens hem overgewaardeerd geweest. Maar dat gold niet voor de gulden. Hij verwachtte na devaluatie van de gulden een run naar omlaag van de valuta's en zag meer in verdergaande protectie. Zijn belangrijkste adviseur was Trip, de directeur van de Nederlandse Bank. Men spreekt achteraf van het bankiersperspectief: niet devalueren was vooral goed voor de banksector waarmee Colijn sinds de twintiger jaren nauwe banden had gehouden. In de vaste zekerheid van hun gelijk bedienden Trip en Colijn zich ook van zedelijke en nationalistische argumenten. Trip noemde devaluatie 'muntvervalsing' en beschuldigde de voorstanders van 'onbehoorlijk gedrag', Colijn noemde speculanten tegen de Gulden "onvaderlandslievende schobbers", een onparlementaire manier van spreken die er in het parlement van toen maar net mee doorkon.

Speculatie tegen de gulden maakte het extra spannend. Speculeren betekent gokken op prijsveranderingen, het is wat tegenwoordig -zo duidelijk toch- de reactie van de financiële markten wordt genoemd. Speculeren kan met grond, met gebouwen, met voorraden grondstoffen, met aandelen, met de kredietwaardigheid van landen zoals nu in Zuid-Europa, of met de waarde van een munt zoals de gulden in de dertiger jaren. Speculeren kan à la baisse, gokken op prijsdalingen: nu vast bestellen en later betalen, of à la hausse, nu kopen en betalen en hopen dat die dingen later bij levering duurder zijn geworden. Als speculanten rond 1933 verwachtten dat de gulden zou gaan devalueren, internationaal in waarde zou zakken, dan verkochten zij guldens, bijvoorbeeld aan de Nederlandse Bank. Die moest ze voor een vaste prijs kopen, dat was nu eenmaal de gouden standaard. De Nederlandse Bank hield daarvoor een voorraad goud aan. Maar die goudreserve was eindig. Zou ze onder de vijfhonderd miljoen zakken dan zou, aldus directeur Trip, een verbod op goudverkoop naar het buitenland moeten worden uitgevaardigd wat neerkwam op het loslaten van de gouden standaard. Speculaties tegen de gulden droegen dus een zelfvervullende dreiging met zich mee. Er waren verschillende aanvallen op de gulden. Na de loskoppeling van de dollar van het goud in april 1933 kwam een eerste aanval, in drie maand verdween driehonderd miljoen goud uit onze reserve. De gulden wankelde maar werd gered. De schipperende schipper Colijn wist weer een regering te vormen, zo verminderde de speculatie tegen de gulden. Een sterk verhoogde rente van de centrale bank hielp ook bij het overwaaien van de paniek.

Mannheimer
Maar het belangrijkste bij deze redding van de vaste gulden waren de enorme steunaankopen, van 5 miljoen -en in 1935 van 75 miljoen- gulden, door de bankier Mannheimer. Zo werd de Gouden Gulden twee maal gered door een speculant, door Dr. Fritz Mannheimer. Een Joodse jurist die in de eerste wereldoorlog door de Duitse Reichsbank naar Nederland was gestuurd. En hier bleef. In de ingewikkelde, zich grotendeels in het verborgene afspelende valutatransacties legde de jeugdige Mannheimer een bijzondere begaafdheid aan den dag, binnen korte tijd bouwde hij een grote reputatie en een aanzienlijk persoonlijk fortuin .... hij bezat de uitgesproken intuïtie voor marktstemmingen en prijsbewegingen, die in de geldhandel zo uiterst nuttig zijn. Hij had flair en charme, kreeg veel voor elkaar, een Engelse diplomaat noemde hem "probably the most gifted and certainly the most colourful of the international speculators".

Vijf miljoen voor de redding van de Gouden Gulden. Laat deze 'investering' zien hoe angstig een Jood al in 1933 kon wezen? Betekent het dat juist degenen die het meest verstand van manipulaties met geld hebben dit heilig geloof toch ook het makkelijkste kunnen relativeren? Zeker is dat Mannheimer niet zuinig was, en gewend aan grote transacties. "Hij voerde een grote staat, woonde in een villa aan de Hobbemastraat achter het Rijksmuseum, die hij volstouwde met kunstvoorwerpen. Aan het Rijksmuseum schonk hij vijftienduizend gulden voor de aankoop van schilderijen. Geheel belangeloos was hij zeker niet, want deze schenking vormde onderdeel van zijn streven naar een Koninklijke onderscheiding. Die kwam er dan ook prompt in de vorm van een officierschap in de orde van Oranje-Nassau".

Naturalisatie
Rond deze redder van de Gouden Gulden ontstond een affaire. Mannheimer wilde zich laten naturaliseren, hij wilde Nederlander worden. Dat had hij 1923 ook al gewild maar toen was het niet doorgegaan omdat zijn werkgever, de Duitse Reichsbank, vond dat hij Duitser moest blijven. Maar na de machtsovername van Hitler in 1933 verwachtte Mannheimer niets goeds meer van zijn land en hernieuwde zijn verzoek tot naturalisatie. De Immigratie en Naturalisatie Dienst bestond toen nog niet. Maar bij deze aanvraag werden inzet en energie van de overheid niet gespaard. De katholieke minister van Justitie van Schaik liet "zoals te doen gebruikelijk" door de Amsterdamse officier van justitie van Thiel een onderzoek doen naar 'kwalijke antecedenten' van Mannheimer. Die trof tegenmaatregelen en had veel vrienden. Hij liet twee maal de katholieke Duitse, inmiddels naar Parijs gevluchte, ex-minister Wirth overkomen om -tegen betaling- Nederlandse christelijke politici te bewerken. Trip, de baas van de Nederlandse Bank getuigde dat Mannheimer de gulden had gesteund en dat hij belangrijk had bijgedragen aan de groei van Amsterdam als financieel centrum. Bankiers en belangrijke politici steunden ook zijn naturalisatieverzoek: de vooraanstaande sociaaldemocraat Dr. Henri Polak, de burgermeester van Amsterdam van Vlugt, de bankier van Aalst. Steun van de laatste had wel een logica: van Aalst was sinds 1927 president-commissaris bij de bank van Mannheimer en zijn zoon had daar een goede baan gekregen. Misschien was Colijn zelf wel Mannheimers belangrijkste vriend. Want hij stond bij hem in het krijt. In 1925/6 had hij als minister van financiën in schimmige operaties rond het landgoed "De Hoogstraat" van Mannheimer een verkapte gift van 250.000 gulden aangepakt. Een enorm bedrag, in hoeverre dit in de dertiger jaren bekend was en hoe Colijn ermee kon wegkomen is me onbekend.

Maar Mannheimer had ook vijanden. Bij financiële problemen en de daarop volgende herstructurering van de Nederlandse Handelsmaatschappij (NHM), eind 1934, werd Mannheimer belangrijk bij dit groot, zeer nationaal en zeer koloniaal bedrijf. Jonkheer Groeninx van Zoelen, verder Groeninx genoemd, wilde de reorganisatie van de NHM voorkomen en merkte in een brief aan de minister van Justitie van Schaik op dat hij hoopte dat deze op grond van zedelijk nationale overwegingen tot hetzelfde inzicht geraakt is, als waartoe ons nationaal-fascistische motieven brachten. Een politieke vriend van Groeninx was Deterding, de Shelldirecteur. Het hoofdkantoor van de NHM was sinds 1926 gevestigd in het Amsterdamse-schoolgebouw de Bazel, genoemd naar de architect, aan de Vijzelstraat.

de Bazel

Deterding verloor bij de reorganisatie geld en de NHM werd daarna als huisbankier van de Shell afgeschaft. Deterding: "Ik ben ervan overtuigd, dat de atmosfeer van Mannheimer in het groote gebouw aan de Vijzelstraat wel in iedere kamer de lucht bederft".

In een Amsterdams fascistenkrantje werden in 1934 artikelen gepubliceerd die veel kwaad van Mannheimer spraken. De minister van Justitie van Schaik kwam kort daarop met een nota waarin het verzoek tot naturalisatie werd afgewezen. Deze nota is verloren gegaan omdat het dossier Mannheimer bij het ministerie in mei 1940 uit de brandkast is gehaald en vernietigd. Maar de inhoud laat zich raden omdat twee andere ministers: Marchant van Onderwijs(!) en de ministerpresident Colijn zelf, tegennota's schreven. Marchant weerlegde beschuldigingen over malversaties met aandelen. Dat Mannheimer baantjes had vergeven aan zonen van de Amsterdamse burgermeester de Vlugt en de bankier van Aalst, die beiden voor hem gepleit hadden, viel volgens Marchant eerder aan hen dan aan Mannheimer te verwijten. Marchant vond dat minister van Schaik een bedenkelijke methode had gebruikt in zijn beoordeling van Mannheimer: hij was van een karikatuur van de bankier uitgegaan: een afzichtelijke Shylock. Als dan de patiënt ook nog Jood is, misschien schittert van de diamanten, een grote sigaar rookt in het publiek, in de comedie geurt met zijn dure maintenée, die de christenmens tussen vier muren houdt, dan is hij bij de toepassing van ..(deze).. methode verloren man. Marchant wees deze voorstelling van zaken met klem af. Het belang van de staat gaf bij hem de doorslag: Het was voor Nederland belangrijk dat er een bankinstelling was die, als dat nodig was, een aantal miljoenen op tafel kon leggen, zo iemand moest je niet naar Parijs verjagen. Colijn sprak in zijn nota tegen dat Mannheimer als speculant fout bezig zou zijn geweest en herhaalde het argument van Trip dat de naturalisatie van Mannheimer goed was voor de Nederlandse economie. Ook sprak hij verhalen tegen over de onzedelijke levenswandel van Mannheimer: Het de ronde doend verhaal, dat hij een concubine onderhoudt in zijne woning, is eenvoudig gelogen. Hij leeft daar met zijn oude moeder. Of hij een concubine in Parijs heeft, zal wel moeilijk te bewijzen vallen.

Willy Brandt
De minister van Justitie van Schaik kwam tot wel meer opmerkelijke beslissingen. In 1934 werd Willy Brandt, het latere staatshoofd van West-Duitsland, in Nederland opgepakt. Hij ontsnapte maar net aan de dood. Met 30 andere radicale socialisten uit allerlei landen bezocht hij een bijeenkomst in Laren. Minister van Schaik werd een week eerder door de veiligheidsdienst op de hoogte gebracht. Hij was zeer bevreesd dat revolutionaire elementen de zware economische crisis zouden misbruiken om onrust te stoken .... Bij deze menschen moet zelfs niet een begin kunnen groeien van een besef, dat hun troebel ageren hier kan worden geduld. De politie deed een inval, pakte iedereen op en zette ze het land uit, Duitsers over de Duitse grens waar ze in handen van de Gestapo vielen. Willy Brandt, toen 19 jaar, kletste zich eruit. Hij ontkwam omdat hij een Noorse verblijfsvergunning kon tonen en Noors sprak met andere Noren. Maar een makker van hem, Franz Bobzien, overleed later in gevangenschap.

Willy Brandt

Na internationale protesten en vragen in de Tweede Kamer verkocht minister van Schaik wat smoesjes en vond nog steeds dat buitenlandse onruststokers uitgewezen konden worden. Er werd in die tijd soms nauw samengewerkt tussen de Nederlandse politie en de Duitse Gestapo. Ook op andere gebieden waren we geneigd met onze oosterburen rekening te houden. De Rotterdamse communist Schmidt had op een vergadering Hitler een beul genoemd en moest daarvoor een week de cel in.

Andere landen devalueerden wel. Met die landen vergeleken was onze werkloosheid nu ver boven het gemiddelde. Colijn sprak dat tegen maar de cijfers die hij aanhield waren -vriendelijk gezegd- wat eenzijdig. Er werd een club van voorstanders opgericht, het "Comité voor Devaluatie", daar sprak men spottend over 'de eredienst van het gouden kalf'. Als men zou devalueren, zo zeiden de voorstanders ervan, zou dat tot meer export en minder werkloosheid leiden. Colijn had in zijn verzet tegen de devaluatie wel een belangrijk deel van de media mee. Voor het nog nieuwe medium radio bestond toen een radiocontrolecommissie. Redevoeringen gehouden op een congres van de katholieke partij waar werd aangedrongen op devaluatie, mochten op aanwijzing van de regering niet worden uitgezonden. Kranten waren nog erg belangrijk voor de meningsvorming. De Telegraaf, met 400.000 abonnees toen al de grootste, en de Nieuwe Rotterdamse Courant en het Algemeen Handelsblad drukten geen artikelen af waarin voor afschaffing van de Gouden Standaard werd gepleit. De Telegraaf weigerde, net als het antirevolutionaire dagblad "de Standaard", zelfs advertenties van de club die vóór devaluatie was.

Een tweede aanval op de gulden trad op in 1935 nadat op 30 maart ook België, en daarna Frankrijk, van het goud afvallig werden. De regering bleef tegen devaluatie, opnieuw ook op zedelijke gronden. Devaluatie kon "de toets van de eisen der moraliteit niet doorstaan", zei de minister van Financiën Oud. Bij deze speculatiegolf slonken de reserves van de Nederlandse bank tot gevaarlijk dicht bij de grens van 500 miljoen: tussen 23 en 27 juli 1935 verloor de Nederlandse Bank weer 152 miljoen van haar goudvoorraad die nu nog slechts 558 miljoen bedroeg. Er was ook weer een kabinetscrisis en Colijn lag met aambeien in het ziekenhuis. Koningin Wilhelmina drong aan op spoed: een land zonder regering was slecht voor de gulden. Weer trad Mannheimer als redder op, weer steunde hij de gulden: voor 75 miljoen deze keer. De speculaties à la hausse van 80 miljoen in 1933 en 1935 hadden zeker te maken met zijn wens om Nederlander te worden. Want eind 1936 had Mannheimer op deze 'investering' een kwart of zo verloren en dat kon hij van tevoren beter inschatten dan wie dan ook.

Op grond van de nota van van Schaik en de twee tegennota's van Colijn en Marchant stemde de ministerraad in met de naturalisatie. Zo leek die in het voorjaar van 1935 bijna rond. Maar toch duurde het nog anderhalf jaar. Minister van Schaik bleef nog een jaar tegenspartelen; hij weigerde een wetsvoorstel in te dienen. De voorstanders zetten een nieuw offensief in nadat ze er een nieuw argument bij hadden gekregen: Mannheimer had nu inmiddels met meer dan 80 miljoen de gulden gered. De thesaurier-generaal van het ministerie van Financiën schreef een brief op poten aan Colijn. Doorgaan met het profiteren van Mannheimers hulp zonder hem het nederlanderschap te gunnen achtte hij beneden de waardigheid van de regering. Ook Trip voerde de druk op Colijn en van Schaik op. Die diende tenslotte op 16 januari 1936 zijn wetsvoorstel in.

Maar de kous was daarmee niet af. Fascisten zagen in de naturalisatie van Mannheimer een ideaal agitatiemiddel. Er waren een stuk of vijf, elkaar bestrijdende clubjes. Ene uit Oisterwijk, bekend door extreme acties en agressief taalgebruik, ging nu ook op de antisemitische toer. "Weg met Mannheimer" heette het over de volle breedte van het extra nummer van hun weekblad. Dat mocht niet: de marechaussee deed een inval in hun drukkerij, de persen werden verzegeld. Maar een rechtszaak kwam er niet van en de krant werd in Belgie alsnog gedrukt, over de grens gesmokkeld en nog steeds op straat verkocht.

Sinds het eind van de zestiende eeuw waren vervolgde Joden naar Nederland gekomen, eerst uit Portugal, later uit Duitsland en Midden-Europa. In Amsterdam vormden ze voor de oorlog ongeveer een tiende van de bevolking, Een deel van hen bleef hechten aan de eigen godsdienst en cultuur, een ander deel was op den duur nauwelijks van de rest van de bevolking te onderscheiden. Ze manifesteerden zich in de diamanthandel, de kunst, de wetenschap en de arbeidersbeweging. In 1860 maakte voor het eerst een Joodse minister deel uit van de regering. Vooroordelen en discriminatie bestonden in dertiger jaren nog ruim. Ook Ma getuigde daar lang na de oorlog wel van hoewel mijn broers en zusters zich daar weinig van herinneren. Stereotiepen doken in de dertiger jaren op in volkse verhalen, grappen, boeken en de pers: de Jood als oproerkraaier, sjacheraar, duitendief, schlemiel, seksmaniak, leugenaar, christusmoordenaar en kindermisbruiker. Het antirevolutionaire dagblad van Colijns partij, 'De Standaard', was in die jaren geen voorstander van de vervolging van de Joden, maar begreep wel waar dat uit voortkwam: "Het eigenaardige van den Jood trok de aandacht, zijn onuitroeibare zucht en handigheid in financiële overheersing wekte wrevel, zijn internationale gebondenheid achterdocht. Dan hoeft een van God en zijn Gebod losgeslagen overheid en volksmassa niet veel meer te gebeuren." (aangehaald uit Trouw, 14 augustus 2013)

Andere fascisten waren in hun agitatie tegen Mannheimer minder antisemitisch. De Haagse Jonkheer Groeninx pakte het systematischer en minder schreeuwerig aan. Hij vond Mannheimer een corruptief en corrumpeerend element. Naast het verhinderen van de naturalisatie van Mannheimer had hij echter meer pijlen op zijn boog: het doordrukken van de devaluatie van de gulden en het ten val brengen van de regering Colijn. Hij verzekerde zich van steun. Van de ambtenaar Simons binnen het ministerie van Justitie kreeg hij inside informatie, geld kreeg hij van Deterding en anderen. Hij schreef brochures, die grotendeels genegeerd werden. Verhalen over zwendel, dat Mannheimer gespeculeerd had in Canadese spoorwegaandelen, met de Duitse mark, tegen de Franse franc, vóór de gulden, dat de reorganisatie van de NHM niet kosher was verlopen. Nieuw was de beschuldiging dat Mannheimer met de Sovjet-Unie had samengespannen om de Koninklijke Shell haar leidende positie op de petroleummarkt te ontnemen. Maar de beschuldigingen bleven ongefundeerd en in het parlement werd het voorstel tot naturalisatie van Mannheimer in het voorjaar van 1936 aangenomen.

Hella Schulz
Kort daarvoor speelde Groeninx zijn laatste troef uit. Hij ging bij de Amsterdamse officier van justitie mr. J. A. van Thiel langs en vertelde dat Colijn een blijkbaar intieme relatie had met een slecht befaamde vrouw. Hella Schulz, ongetrouwd, 35, uit Berlijn naar Parijs uitgeweken, ze werd daar van spionage verdacht. Ze zou tot de financiële onderwereld behoren en van internationaal slechte reputatie zijn. Ze leefde samen met haar amant de coeur Leenes, (eigenlijk Lehnen geheten). Colijn zou haar in Nice en Londen ontmoet hebben, geld naar haar overgemaakt hebben en haar broer, via de Amsterdamse burgermeester de Vlugt, een baan bij Fokker hebben bezorgd. Van Thiel wist niet goed wat te doen. Hij meldde voorlopig niets aan zijn chef, de minister van Justitie, maar praatte er eerst met Colijn over. Die was stil en down geworden, vocht de bijzonderheden niet aan maar gaf er ook geen verklaring voor. Van Thiel stelde geen directe vraag maar kreeg de indruk dat Colijn moest toegeven in een verkeerde verhouding tot mejuffrouw Schulz te staan. Vooral de mededeling dat ze er een minnaar op na hield emotioneerde Colijn, hij schreef dadelijk diens naam op. Een week later liet Groeninx aan van Thiel weten dat Colijn zijn verhouding met mejuffrouw Schulz had uitgemaakt door middel van een brief. Toen van Thiel daarna begin mei minister van Schaik inlichtte werd hem stevig de mantel uitgeveegd omdat hij er eerst met Colijn over had gepraat. Hij verdedigde zich door te zeggen dat hij meer als mens dan als ambtenaar tegen de ministerpresident had willen handelen, hij zei verder dat hij geen moment geloofde dat Colijn er een relatie op nahield die schending van de huwelijkstrouw impliceerde, 'daarvoor was hij een veel te hoog, gaaf en eerlijk karakter'. De minister had echter twijfels. Van Thiel sprak verder zijn vermoeden uit dat Deterding achter Groeninx' actie zat, mede met het doel om door de val van Colijn de val van de gulden te bewerkstelligen. De minister en zijn officier van Justitie waren het erover eens dat Groeninx als bewijsmateriaal geen enkel authentiek stuk of bewijs had getoond en besloten geen verder contact met hem te zoeken.

De borgstelling
Het werd in het voorjaar van 1936 een ernstige affaire die bijna tot de val van de regering Colijn leidde. De minister van Justitie van Schaik hoorde van de ambtenaar Simons dat men beweerde dat Colijn het hield met een al dan niet gewezen kantoorjuffrouw van Mannheimer. Van Schaik nam Colijn op 12 mei apart en vroeg hem: Je weet van de verhalen die in verband met de zaak-Mannheimer om je heen worden verteld. Zouden wij er iets aan doen? Van Schaik tekende in zijn dagboek aan: "Zeer evident geraakte hij (Colijn) innerlijk sterk geëmotioneerd. Zijn ogen werden rood, hij verbleekte en er kwamen grote zwart-vale kringen onder zijn ogen. Hij toonde zich verbitterd over het gepraat en zeide "Het heeft niets anders te betekenen dat ik een vluchtelinge geholpen heb. Ze kunnen me wel beschuldigen dat ik er twee maintenées op na houd".

In het onderhoud van 12 mei met de minister van Justitie verzweeg Colijn dat hij een dag eerder Hella Schulz had ontvangen en haar een borgstelling van 15.000 gulden had verstrekt op voorwaarde dat ze naar Argentinië zou verdwijnen. Ze zou daar een filiaal van de Londense uitgeverij The British Continental Press gaan opzetten. Deze borgstelling was in feite een schenking en voor Colijn zijn doen een heel royale. Ook in een volgend gesprek tussen Colijn en zijn minister van Schaik op 14 mei vertelde hij nog niet over deze borgstelling. Hij gaf toe dat juffrouw Schulz wel eens geld van hem had gekregen maar hij had niet geweten dat er iets op haar aan te merken zou zijn; ook nu zou ieder bewijs voor de aantijgingen tegen haar ontbreken. Van Schaik werd erdoor bevestigd in zijn aanvankelijke mening dat Colijn volstrekt niets te verwijten viel. Maar wel hield hij er rekening mee dat Colijn 'in zijn impulsiviteit, onbedachtzaamheid, gemis aan voorzichtigheid te veel toenadering had gezocht tot een vrouw die hem eigenlijk onbekend was.'

Op donderdag 28 mei vergaderde het kabinet over de zaak. Vanwege de borgstelling sprak Van Schaik zich nu uit voor een onmiddellijk aftreden van Colijn. Dat ging niet door, men zou eerst niets doen. Colijn ging bij koningin Wilhelmina langs. Hij jokte dat hij een armlastig vluchtelingengezin had geholpmen: ze zouden in een concentratiekamp hebben gezeten. Voor de moeder had hij de huur betaald, de zoon had hij aan een baantje geholpen en de niet met name genoemde dochter had na zijn aanbeveling werk gevonden bij de British Continental Press in Londen, hetzelfde bedrijf waarvoor Hella Schulz een branch in Argentinie wilde beginnen. Het lijkt erop dat Colijn de satire over het Wereldtijdschrift van Elsschot niet kende. De 'Continental Press' heeft in haar bestaan van 1926 tot 1938 ongeveer twintig titels uitgebracht, de meeste over de geschiedenis van de dans en het ballet. Van dat filiaal van deze uitgeverij dat Hella met die 'borgstelling' in Argentinië zou gaan oprichten is nooit meer wat vernomen. Colijn bood de koningin aan om op te stappen. Maar dat hoefde ook van haar niet.

Inmiddels waren fascisten met blaadjes en pamfletten actief, een derde en een vierde clubje mengden zich in het openbaar geroddel. Mannheimer en de familie Schulz werden obscure lieden van vreemd allooi genoemd. Men had het over ontucht. Ook de moeder van Hella zou een ongunstige reputatie hebben. Hella zou van verdachte zeden zijn, de concubine, een der bijzitten van Mannheimer, die hem op zijn reizen als secretaresse begeleidde. Als handlangster of vroegere vriendin, zou Mannheimer haar op Colijn hebben afgestuurd om naturalisatie af te dwingen. Het effect van de hetze in fascistische publicaties bleef beperkt. Ze werden soms weer in beslag genomen maar justitie wenste niet tot vervolging wegens belediging over te gaan, want dan zou er meer aandacht voor de affaire zijn gekomen. Binnen de regering vonden sommige katholieke ministers wel dat Colijn moest aftreden. Maar na het vertrek van Hella Schulz naar Argentinië werden er geen vragen meer gesteld en werd de affaire gesust en in de doofpot gestopt. Dit was niet mogelijk geweest als de belangrijkste dagbladen hier niet aan hadden meegewerkt. De fascistische blaadjes werden genegeerd. Wat communistische of andere linkse stromingen van de affaire vonden valt in de biografie van Langeveld niet te lezen. "Het Volk", de spreekbuis van de sociaaldemocraten, wenste geen misbruik te maken van de affaire, misschien uit een soort fatsoen dat we ons nog slecht kunnen voorstellen. De grote liberale bladen, de Nieuwe Rotterdamse Courant en het Algemeen Handelsblad, besteedden aan de kwestie ook geen enkele aandacht, net als de 'neutrale' Telegraaf. Dit kwam ook omdat er tussen Colijn en de hoofdredacteuren en/of bezitters van die kranten inmiddels persoonlijke vriendschappelijke banden bestonden. Ze hadden een deal: de redacteuren hielden artikelen uit de krant die Colijn niet bevielen en kregen daarvoor geheime inlichtingen van hem in ruil. Daarom stonden deze drie kranten volledig achter Colijn.Er pruttelde in Engeland en bij het katholieke Nieuwsblad van het Noorden nog wat na maar daarna waaide alles over.

Latere getuigenissen laten zien dat er wel degelijk rook zowel als vuur was. De in 1933 naar de VS gevluchte, later beroemde Hollywoodregisseur Billy Wilder (Some like it hot) woonde in 1927/8 in Berlijn bij Hella in huis. Haar moeder verhuurde kamers aan kunstenaars en journalisten. Hella was verloofd met een caféhouder maar ontving ook ander herenbezoek, in de kamer naast die van Wilder. Een andere getuige is Frans (artiestennaam Harry) Dresselhuis, een Nederlandse acteur en revue-artiest die na de oorlog naar Argentinië emigreerde en daar bevriend raakte met Hella en haar echtgenoot Vinzenz Lehnen. In zijn in 1983 opgetekende herinneringen "Harry zingt op klompen" vertelt Dresselhuis dat hij van Hella hoorde dat ze aan het eind van de twintiger jaren in het Theater des Westens het bekende lied 'Wenn die Elisabeth nicht so schöne Beine hätt" zou hebben gelanceerd. Deze mededeling is aantoonbaar onjuist. Als revuezangeres zou Hella na een voorstelling met buitenlandse diplomaten gesoupeerd hebben. Haar tafelheer was daarbij Colijn die haar later in een mooie villa in Wassenaar zou hebben geïnstalleerd, de juwelen die ze in Argentinië droeg zou ze van hem hebben gekregen. Aan de betrouwbaarheid van deze herinneringen van Wilder en Dresselhuis valt volgens de biograaf te twijfelen. Maar een in dit verband toch minder verdachte bron vormt de Duitse Sicherheitsdienst, de SD. Die had al in de dertiger jaren een dossier over het privéleven van Colijn aangelegd. Daaruit zou blijken dat Colijn er 'eine Dirne in Berlin aushielt', die hem chanteerde.

Colijn heeft dus gelogen. Het verhaal nam zelfs een Clinton-achtige wending. Op 22 juni 1936 werd Colijn gehuldigd omdat hij 67 werd. Aangedaan legde hij zijn hand op schouder van zijn vrouw en zei "trouw moet blijken". Hij was merkbaar ontroerd, noteerde de NRC. Men liet het erbij, kon ook haast niet geloven dat zo'n stijve calvinist tot zulke escapades in staat was. Maar goed, Colijn kwam niet ten val, de naturalisatie van Mannheimer ging tenslotte wél door en de aan het goud verbonden Gulden hield nog even stand.

De politiek van 'aanpassingen' en de handhaving van de gouden standaard waren inmiddels geheel vastgelopen. Er waren in 1936 nog maar weinig landen die aan de Gouden Standaard vasthielden. In Europese landen die al hadden gedevalueerd trad een zeker herstel op, maar in Nederland nam de werkloosheid verder toe, tot ongeveer 600.000, ruim 15% van de 'werkende' bevolking. Nadat eind september 1936 ook Frankrijk en Zwitserland devalueerden was Nederland de hekkensluiter bij het loslaten van de band met het goud. Over het effect van het uitstel is later veel discussie geweest. Als men zou devalueren, zo zeiden voorstanders destijds al, zou dat tot meer export en minder werkloosheid leiden. Onderzoekingen van na de oorlog gaven ze gelijk. Men had in 1933 of 1935 moeten devalueren. Dat het niet gebeurde betekende dat de groei stagneerde terwijl er in veel andere landen al wél weer groei was. Zeker een derde van het aantal werklozen was het gevolg van de uitblijvende devaluatie. De werkloosheidsuitkeringen, hoe ondermaats ook, slokten inmiddels een derde van de belastingen op.

Ik kan het niet laten om deze economische crisis met de laatste van 2008 tot 2015 te vergelijken. Er zijn overeenkomsten. Ze begonnen beiden in de wereld van de banken en het vastgoed. Weer ontploften ballonnen van riskante, giftige leningen, dreigden banken om te vallen, weer plantte de crisis zich van het ene naar het andere land voort en zakte alles als een plumpudding in elkaar, weer leidde dat tot massale werkloosheid en dakloosheid, weer waren er rituele vergaderingen van politici, economen en bankiers zonder dat er veel uitkwam, weer overleefde, ja versterkte het systeem zich dat tot deze ellende leidde.

Maar er zijn ook verschillen. Tegenwoordig is een groter deel van de noodzakelijke, nuttige en prettige handelingen in de geldsfeer beland, zeg toen een kwart en nu de helft. Dat doet de crisis harder aankomen. Aan de andere kant is deze crisis regionaal beperkt; zij treft vooral de VS en de EG. In Polen of Turkije was veel groei en in de rest van de wereld, India en Brazilië bijvoorbeeld, zijn veel grotere spelers dan toen. Dat maakt het effect van deze crisis juist weer beperkter, zoals ook uitkeringen in een deel van de wereld een dempend effect hebben. Dan is er het verschil dat er toen nog veel banken waren en nu veel minder. Zoals eerder vermeld waren er destijds alleen al in de VS meer dan 20.000 banken waarvan bijna de helft failliet ging. De financiële sector is zogezegd zeer geconcentreerd geraakt: wereldwijd wordt de dienst nu uitgemaakt door twaalf banken, drie kredietbeoordelaars (door de banken betaald), vier accountantskantoren en een paar advokatenkantoren. En het dozijn banken is nu te groot om om te vallen. Een vierde verschil is politiek. Destijds moest de macht nog rekening houden met een omslag in de staatsinrichting: er bestonden socialistische partijen en vakbonden. Rusland was zogenaamd ook socialistisch en in de koloniën broeide van alles. Er schemerde nog een alternatief dat inmiddels verdwenen is.

Samenvattend kunnen we stellen dat de recente crisis misschien minder ingrijpend was dan die in de dertiger jaren. Maar de invloed van banken is groter geworden. Ze opereren internationaal maar als ze in problemen komen worden de verliezen op nationale belastingbetalers afgewenteld. Hun macht is ongebroken, hun arrogantie onbegrijpelijk, dat zie je aan de winsten, de salarissen en de bonussen in de financiële sector.

In 1937 trouwde de kroonprinses Juliana met de Duitse prins Bernhard. Hij hield van fotograferen, van snelle auto's en vliegtuigen, een playboy. Tot na zijn trouwen was hij lid van de SA, de SS en de Nazipartij. Het populaire weekblad 'het Leven' meldde wel dat hij "door zijn treffende eenvoud en grote charme ons volk in zijn zwak trof en reeds in enkele dagen populair is geworden". Juliana was in ieder geval weg van hem. Bernhard leende van een Amerikaanse suikertante haar auto, huis en geld om een rijkere indruk te maken; hij liet zich door deze dame asssisteren bij de huwelijksonderhandelingen en nam haar mee op de huwelijksreis waarbij zijn polderbruid tot vrouw van de wereld getransformeerd werd.

Heel anders was de ontvangst van Joden en politieke vluchtelingen uit Duitsland na de Rijksdagbrand in 1933. Meer dan 40.000 Joden vluchtten in de dertiger jaren naar Nederland Ze moesten eerst "vreemdeling" in plaats van "vluchteling" worden genoemd want anders kon de indruk ontstaan dat we onze belangrijke handelspartner ergens van beschuldigden. Ze werden niet met open armen ontvangen. Vroeger kon je zomaar de grens over; nu kwamen er pascontroles en in de Achterhoek en Kerkrade prikkeldraad. Duitse Joden werden vaak bij de grens geweigerd, getest op hun waarde voor Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt, en bij een negatief oordeel weggestuurd. Uit politierapporten blijkt willekeur. Mensensmokkel was ook toen een moorddadige business. Vanaf 1937 werden alleen nog Joden, communisten en gedeserteerde Duitse militairen doorgelaten als ze aantoonbaar in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. Op 7 mei 1938 ging de grens op slot voor Duitse Joden. Men vreesde te worden overspoeld. Detentiekampen, deals met dictators, gedwongen deportaties, dat soort dingen, waren het gevolg, U kent dat wel.

Homo Ludens
Laat ik dit hoofdstuk met wat vrolijks beëindigen. In 1938 verscheen 'Homo Ludens', over het spel-element der cultuur, van de toen al beroemde historicus Johan Huizinga. Hij betoogt dat je bij kinderen al ziet dat spelen een algemeen menselijk verschijnsel is. Het woord ludiek bestaat sindsdien in de Nerdelandse taal en betekent speelsheid. Hij beschrijft hoe zich in het spel alle cultuur ontwikkelt, of het nu de wedstrijd, de oorlog, de rechtspraak, de wijsheid, de filosofie, de kunst, de poëzie, de verbeelding, de muziek of de dans betreft. Het is een optimistisch boek, zeker in die tijden. Huizinga was een conservatief en vond dat een wetenschapper zich niet met politiek moet bemoeien. Maar de eerste en belangrijkste voorwaarde voor het spel was voor hem de vrijheid, toen een schaars artikel. En hij hekelt de behoefte aan banale verstrooiing, de zucht tot grove sensatie, de lust aan massavertoon, de clubgeest met formeele handgebaren, kreten, groetformules, het ontbreken van gevoel voor humor, de verregaande ergdenkendheid en onverdraagzaamheid tegenover nietgroepsgenoten, de mateloze overdrijving in lof en blaam, de toegankelijkheid voor elke illusie die de eigenliefde vleit. Natuurlijk, zegt hij, zijn dat dingen van alle tijden, doch nooit in de massaliteit en met de brutaliteit, waarmee zij zich in het openbare leven van heden breed maken.

Bronnen
Noordereiland (Rotterdam) - Wikipedia. "Der Untertan", Heinrich Mann, 1914 Aufbau-Verlag Berlin und Weimar, 1974. "Van der Lubbe", gedicht van Willem Elsschot, 1934. In 'Willem Elsschot, Verzameld werk', uitgeverij Van Kampen en Zoon, zesde druk, februari 1963. "Grafschrift", gedicht voor Marinus van der Lubbe, Simon Vestdijk, 1934. "Wij slaven van Suriname", Anton de Kom, 1934. Derde druk 1981, uitgeverij Wereldvenster Bussum. "Student en anti-fascisme", Menno ter Braak. In 'De Sleutel'(1935). "Else Böhler, Duits dienstmeisje", Simon Vestdijk, 1935, Nijgh en van Ditmar. ABC boeken, 1966. "Meneer Visser's Hellevaart", Simon Vestdijk, 1936. Nijgh en van Ditmar, vierde druk, 1967. 'De Spaanse Tragedie', Jef Last. 1936/38, derde druk 1962, uitgeverij Contact. "De sfinx van Spanje, beschouwingen van een ooggetuige", Albert Helman, 1937, tweede druk 2011, uitgeverij Schokland, de Bilt. "Nietsche de dubbelzinnige", Menno ter Braak, in 'Groot Nederland', 1938, de opstellen zijn opgenomen in 'Verzameld werk' bij uitgeverij G. A. Van Oorschot Amsterdam 1951. "Saluut aan Catalonië". George Orwell, 1938. Vertaald door Aad Nuis, vijfde druk, uitgeverij Van Gennep, 1986. "De nieuwe elite", Menno ter Braak, Stols, s'Gravenhage, 1939. "The Grapes of Wrath", roman, John Steinbeck, 1939. "Drakentanden", roman, derde deel van de Lanny Budd serie, Upton Sinclair, uitgeverij Servire, 1942. "Revolutie der Eenzamen", P. J. Bouman, van Gorcum, 1953. "The Great Crash 1929". John Kenneth Galbraith, 1997, eerste druk, 1954. "Discourse on Colonialism". Aimé Césaire, 1955, First Modern Reader Paperback Edition, vierde druk 1972, Monthly Review Press, New York. "Die Tod der Wiedersachers". Hans Keilson, Westermann Verlag, Braunschweig, 1959. Vertaald in het Nederlands, van Gennep, Amsterdam, 10e druk 2011. "Thomas Mann, Klaus Schröter, Rowohlt Verlag 1964, De Haan Monografiën, Unieboek, Bussum, 1979. "De dertiger jaren, 1930-1935; 1936-1939, herinneringen en overdenkingen." Paul de Groot, Pegasus, Amsterdam, 1965/67. "Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog, deel I, Voorspel". Dr. L. de Jong, Staatsuitgeverij, 's- Gravenhage, 1969. "Een handvol mensen", P. J. Bouman, van Gorcum, 1969. "Nederland voor de storm, politiek en literatuur in de jaren dertig". H. van Galen Last, Fibula-van Dishoeck, Bussum, 1969. "Erinnerungen", Albert Speer. Ullstein, 1969. "Die kurze Sommer der Anarchie". Hans Magnus Enzensberger, 1972, Suhrkamp, Frankfurt am Main. "Het Leven, een fascinerende selectie uit de jaargangen 1906 - 1940." Samenstelling Leonard de Vries, Skarabee, 1972. "De aderlating van een continent, vijf eeuwen economische exploitatie van Latijns-Amerrika", Eduardo Galeano, 1973, derde Nederlandse druk Amsterdam 1983, Kritiese Bibliotheek Van Gennep/Novib. «"Kunst die partij koos", Ad van der Blom, FNV/Kosmos, 1980. "Rode jaren". Bertus Schmidt, Rotterdamse Kunststichting, 1981. "De oorlog begon in Spanje". Hans Dankaart en anderen, van Gennep 1986. "Geschiedenis van de Nederlandse Koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog". K. W. L. Bezemer, Elsevier, 1986. "Alles is in beginsel overal (maar de Mosselman is nergens meer)", in "Perron Nederland", Abram de Swaan, Meulenhoff, 1991. "Brede straten voor kevers en parades." Bernard Hulsman, NRC/Handelsblad, 23 juli 1993. "Rinus van der Lubbe, 1909 - 1934, een biografie." Martin Schouten, de Bezige Bij, 1994. "Gevaarlijk Leven, een biografie van Joris Ivens". Hans Schoots, uitgeverij Jan Mets, Amsterdam 1995. "Nederland in de twintigste eeuw." Henk Bas e.a. Stichting Educatieve Omroep Teleac, Utrecht, 1995. "Verhalen van het water, scheepvaart en mensen in de twintigste eeuw". Onder redactie van Henk Dessens, Lucas Veeger en Jan van Zijverden. Vereniging Nederlandsch Historisch Scheepvaart Museum, Stichting Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam, Walburg Pers 1997. "Ongewenschte Muziek, de bestrijding van jazz en moderne amusementsmuziek in Duitsland en Nederland 1920 - 1945." C. A. T. M. Wouters, Sdu uitgevers, Den Haag, 1999. "Swingen in het derde rijk, de paradoxale verhouding tussen het nazisme en de jazz", Bert Vuijsje, Volkskrant 6 juni 2003. "Schipper naast God, Hendrikus Colijn 1869 - 1944, deel twee 1933 - 1944", Herman Langeveld, Uitgeverij Balans, 2004. "De Shockdoctrine, de opkomst van het rampenkapitalisme", Naomi Klein, Uitgeverij de Geus, Breda, 2007."Afgunst en angst gekleed in een keurige jas." Jos Palm, Trouw, 12 mei 2007. "Doodstraf Van der Lubbe nietig, de mythes leven voort." Selje Slager, Trouw 11 januari 2008. "Innemend onbescheiden", Henny de Lange, Trouw, 4 juli 2008. "Havens van Rotterdam en Amsterdam sinds 1870". Redactie Remmelt Daalder, Wouter Heiveld, Elisabeth Spits en Pieter Jan Klapveld, Walberg Pers 2008. "Modernism, the lure of heresy", Peter Gay, W. W. Norton & Company, New York/London, 2008. "De grote recessie, het Centraal Planbureau over de kredietcrisis". Casper van Ewijk & Coen Teulings, uitgeverij Balans, Amsterdam 2009. "Minder Brussel", Dennis de Jong, SP media, 2009. "Jaren dertig: een kifterig literaire tijd". Jan Blokker, NRC/Handelsblad, 4 juni 2010. "Een eeuw Chinezen in Nederland: van stoker tot restauranthouder". Trouw, 14 augustus 2010". "Verheffing wil maar niet lukken". Seye Slager, dagblad Trouw 5 november 2010. "Baltische Zielen". Jan Brokken, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, november 2010. "überbad guy". Joost de Vries, de Groene Amsterdammer, 17 februari 2011. "De Amerikaanse historicus Fritsch gaf de dagboeken van een 20ste-eeuwse Berlijner uit.", Bernard Hulsman, NRC/Handelsblad 28 april 2011. "Het stelen van een boek is een licht vergrijp, uitgeven tussen markt en staat in de Volksrepubliek China". Hans van der Meijden, in de Gids 2011 / 2. "Het gele gevaar en de pindakoek, Rotterdamse wijk Katendrecht viert jubileum: honderd jaar Chinezen op het schiereiland", Adri Vermaat en Bart Zuidervaart, Trouw 1 juli 2011. "Beknibbelt Europa zich richting een recessie?" Esther Bijlo, Trouw 23 juli 2011. 'We zitten nog maar in 1931, historicus trekt vergelijking met jaren dertig en verwacht nieuwe dip", interview van Fleur de Weerd. Trouw, 4 augustus 2011. "De duisternis", column van H.J.H. Hofland, de Groene Amsterdammer, 11 augustus 2011. "De koningin van de mitrailleur, Fanny Schoonheyt, guerrillera tegen Franco". Yvonne Scholten, de Groene Amsterdammer, 18 augustus 2011. "De beste migranten, vinden we in Nederland, komen uit China, vier vragen over de Chinezen in Nederland". Wilmer Heck, NRC/Handelsblad, 18 augustus 2011. "Leren van de Chinezen', NRC/Handelsblad, redactioneel, 19 augustus 2011. "Tekens", in "Mannen spelen, vrouwen winnen, een keuze uit de verhalen". F. B. Hotz, Arbeiderspers, 2011. "Roepen in het reservaat, de Avantgarde 1933/2011". Sheng Scheijen, "Voor en na H.", Chris van der Heijden, de Groene Amsterdammer, 1 september 2011. 'Verslaafd raken aan kruitdampen en dreunen, boeken over Nederlanders in de Spaanse burgeroorlog". Paul van der Steen, Trouw, 10 september 2011. NRC/Handelsblad. Ingezonden brieven 13 november 2011: "De PVV niet fascistisch? .... normaal toch ook niet", Prof. Mr. W. J. Veraart, Amsterdam; "Afshin Ellian ziet een paar zaken over het hoofd", Olivier Visser, Noordwijk. "Een verwoestende ramp in breedbeeld van 3,5 bij 7,8 meter", Pieter Steinz, NRC Weekend, 26 november 2011. "De lust der permanente ontevredenen". Anet Bleich, 'de Groene Amsterdammer", 9 december 2011. ''.....Steinbeck en Fallada", Maartje Somers. NRC Handelsblad, 30 december 2011. "We doen het ditmaal beter", Esther Bijlo, Trouw, 31 december 2011. "Schuld, de eerste 5000 jaar". David Graeber. Uitgeverij Business Contact, 2012. "Ferdinand Domela Nieuwenhuis, een romantische revolutionair". Jan Willem Stutje, uitgeverij Atlas Contact, 2012. "Hoe de hersens van de Duitsers duister werden." Laura Starink, NRC Handelsblad, 13 januari 2012. "Omringd door rancuneuze gekken in Berlijn." Bernard Hulsman, NRC Handelsblad, 13 januari 2012. "Een degelijk Duits werkstukje." Column van Ilja Leonard Pfeijffer in het NRC/Handelsblad, 3 februari 2012. "Honderd jaar Chinatown", Nicole Wijnjeterp, in gratis weekblad "de Echo", Amsterdam, 15 februari 2012. "Boek senator komt VVD ongelegen." Kees Versteegh, NRC/Handelsblad, 10 maart 2012. "De boosheid gaat van kwaad tot erger, hoogleraar Schaap (VVD) schrijft boek over boze Nederlander", Interview van Cees van der Laan, Trouw 17 maart 2012. "Heydrich, hoe een fatsoenlijke jongen de holocaust in gang zette". Frank Mulder, VPRO-gids 17 maart 2012. "Hitler was Goebbels moeder". Interview van Peter de Bruijn met Goebbelsbiograaf Peter Longerich. NRC/H 30 maart 2012. "De donkere kant van ons verleden". Reinier Bijman e.a, de Groene Amsterdammer, 5 april 2012. "Keynes vs. Hayek". Daan van Lent, NRC/H 13 april 2012. "Juist in tijden van crisis boekt project Europa voortgang". Siep Stuurman, NRC/H, 18/19 april 2012. "Hitler, meer kunstenaar dan soldaat". Bernard Hulsman, NRC/H, 20 april 2012. "Opgewekt gaan ze Colijn achterna." Frans Becker, Volkskrant 5 mei 2012. "Ik moest iets afstoten, de eeuw van Jér™me Heldring". Interview door Marcel ten Hooven, de Groene Amsterdammer, 14 mei 2012. "Het failliet van Europa." Marcel van Dam, de Volkskrant 24 mei 2012. "Elk afgesneden oor doet ertoe." Ronald Havenaar, NRC/ Handelsblad, 25 mei 2012. "Groeten uit...".(Architectuur, het nieuwe bouwen), Marc van den Eerenbeemt, de Volkskrant 22 juni 2012. "Breivik is onze eigen Bin Laden". Hans Snitzler, de Volkskrant 27 juni 2012. "Vuilnismemoires" S. Montag, NRC Handelsblad 30 juni 2012. "Germanisering van de Spaanse zaak". Chris van der Heijden, de Groene Amsterdammer, 5 juli 2012. "Honderdste geboortedag van Woody Guthrie", Hester Carvalho, NRC Handelsblad 13 juli 2012. "Is het omgekeerde van slecht, goed? " Marike Stellinga, NRC/Handelsblad, 14 juli 2012. "De crisis begint met een vergadering van bankiers die het niet meer weten, AEX-index na vijf jaar crisis", Melle Garschagen, NRC/Handelsblad, 9 augustus 2012. "Somber crisislustrum", commentaar NRC/Handelsblad, 11 augustus 2012. "Opa was verdomde dapper". Interview met Hans Goedkoop door Kester Freriks, NRC/Handelsblad 17 augustus 2012. "Leidt de crisis tot populisme en extremisme?" Peter de Waard, Volkskrant, 22 augustus 2012. "Nuchter gezien zou je juist nu moeten investeren". Interview met Johannes Witteveen door Melle Garschagen, NRC/Handelsblad, 1 september 2012. "Banken hebben hun lesje niet geleerd". Interview van Caroline de Gruyter met Eurocommissaris Neelie Kroes, NRC/Handelsblad, 7 september 2012. "Jazz maakte je modern". Paul van der Steen, Trouw, 29 september 2012. "Wat drijft de racist?" Hans Driessen, Trouw, 29 september 2012. "Gerard Reve, kroniek van een schuldig leven, deel 3, de late jaren (1975 - 2006)", Nop Maas. Uitgeverij G. A. Van Oorschot Amsterdam. Tweede druk, oktober 2012. "Bankiereed, loze kreet". Joost Ramaer, commentaar de Groene Amsterdammer, 4 oktober 2012. "Vrijspraak (van Wilders) op alle beschuldigingen". Bernard Hulsman, NRC/Handelsblad, 5 oktober 2012. "De moord die een miljoen levens kostte", André Gerrits, VPRO-gids, 6 oktober 2012. "Dringend gezocht: bedreiging". Timothy Garton Asch, de Groene Amsterdammer, 11 oktober 2012. "Nazi's bleken nooit duivels te zijn". Bernard Hulsman, interview met Laurence Rees, NRC/Handelsblad, 26 oktober 2012. "Misleidende rating levert Standard & Poor's boete op". Trouw, 6 november 2012. "Waarom ... kredietbeoordelaars te vergelijken zijn met filmrecensenten." Christoph Schmidt, Trouw, 7 november 2012. "De schijn van het kabinet is Drees, het wezen is Colijn". Hans Goslinga, Trouw, 17 november 2012: "Verlos de Grieken van hun schuld", Coen Teulings: "Europa duwt Griekenland naar het neonazisme". Benjamin Abtan, NRC/Handelsblad, 1 december 2012. "De zakelijkste van de zakelijken, Brinkman en van de Vlugt en het dynamische Rotterdam". Bernard Hulsman, NRC/Handelblad, 14 december 2012. Het volk van Abdelkarim, actualiteit en geschiedenis van de Marokkaanse Rif." Sietske de Boer, 2013, uitgave Wijdemeer, Leeuwarden."Het jaar van het gevaarlijke dromen." Slavoj Zizek. Boom, Amsterdam 2012. "Nieuwe bancaire deb‰cles op komst', Joost Ramaer, de Groene Amsterdammer, 10 januari 2013. "Durven hervormen, dat is de mantra van Davos". Juurd Eijsvogel, NRC/Handelsblad 24 januari 2013. "Te laag op de lijst voor uitroeiing, Hans-Jürgen Massaquoi 1926 - 2013", Frank Dijkstra, Trouw, 28 januari 2013. "Bent u boos?" Column Marike Stellinga, NRC/H 2 februari 2013. "Valutaoorlog belemmert herstel in Europa". NRC/Handelsblad, 7 februari 2013. "Culturele elite was blij met Adolf Hitler, hoogleraar Frits Boterman toont de weg die loopt van de Romantiek naar het Nazisme", Bart Funnekotter, NRC/ Handelsblad 7 februari 2013. "SNS Reaal, anything goes", Joost Ramaer, de Groene Amsterdammer, 7 februari 2013. "De mens heeft een te zwaar gewei, crisislessen uit de natuur", Frank Mulder, de Groene Amsterdammer, 7 februari 2013. "Vijftien jaar dronken van geleende welvaart". Ewald Engelen, NRC/Handelsblad, 8 februari 2013 "Kabinet stort zelf economie in recessie, toch is herstel in zicht, via China en Amerika." NRC/Handelsblad 14 februari 2013. "We leven niet in een geïndividualiseerde samenleving", interview met Mark Elchardus, door Marcel ten Hooven, de Groene Amsterdammer, 14 februari 2013. "Hitler en mein Kampf", Frits Boterman, de Gids, nummer 1, 2013. "Zuiniger dan Colijn, het dogma van het kabinet-Rutte". Marcel ten Hooven, de Groene Amsterdammer, 21 februari 2013. "Hitlers leven toont een onverklaarbare discontinuïteit". Bernard Hulsman, NRC/Handelsblad, 22 februari 2013. "Niemand snapt het kapitalisme", Yernaz Ramautarsing, "Kapitalisme, verraden ideaal", Hans Achterhuis. Trouw, 23 februari 2013. "Economen hebben geen flauw benul". Column Rosanne Hertzberger, NRC/Handelsblad, 2 maart 2013. "Geen gezeik, iedereen rijk", Ewald Engelen, de Groene Amsterdammer, 4 april 2013. "De zingende antifascist, op zoek naar Bart van der Schelling", Yvonne Scholten, de Groene Amsterdammer, 25 april 2013. "Schuldbelijdenis", column Jan Kuitenbrouwer, NRC/Handelsblad, 4 april 2013. "Het Bureau', Jesse Frederik, de Groene Amsterdammer, 2 mei 2013. "Verwerp overal alle gezag! Nu!". Lucas Lichtenberg, NRC Handelsblad, 3 mei 2013. "Opgewekt gaan ze Colijn achterna.". Frans Becker, Volkskrant 5 mei 2013. "Wordt eens boos", Ewald Engelen, de Groene Amsterdammer, 9 mei 2013. "Vanwaar toch dat taaie populisme", NRC/Handelsblad, 14 juni 2013. "Als dronkaards om de lantaarnpaal", Paul Krugman, de Groene Amsterdammer, 20 juni 2013. "Onbevreesd en daadkrachtig", Michiel Krielaars, NRC/Handelsblad 21 juni 2013. "1932, spel tussen natuur en tekentafel", Paul van der Steen, Trouw, 10 juli 2013. Columns van Joris Luyendijk over de Londense financiële wereld, NRC/Handelsblad 2012: 19 juli, 24 augustus, 18 en 25 oktober, 8 november, 13 en 20 december. En in 2013: 10 januari, 14 en 21 februari, 4 april, 16 mei, 7 en 27 juni en 12 juli. "1934, de stad begon te broeien", Paul van der Steen, Trouw, 17 juli 2013. "Andermans rekening", Koen Haegens, de Groene Amsterdammer, 1 augustus 2013. "Zonder onze inzet is geen leven mogelijk, de voorgangers van de Syriëstrijders", Koen Vossen, de Groene Amsterdammer, 8 augustus 2013. "Het meisje met de zachte huid, het koninkrijk en zijn Joden", Paul van der Steen, Trouw, 14 augustus 2013. "Joods meisje in een Jappenkamp", Bart Funnekotter, NRC/Handelsblad, 15 augustus 2013. Ton Lanoye, interview in NRC/Handelsblad, 30 augustus 2013. "Ja, ik ben ook boos, heerlijke nieuwe wereld", Wolfgang Streck, door Koen Haegens, de Groene Amsterdammer, 5 september 2013. "Het beest in het hart van Henri Ford", Bernard Hulsman, Trouw, 6 september 2013. "Dit is geen land voor sterke man", Hans Goslinga, column, Trouw, 14 september 2013. "Toen Lehman viel, gniffelden we nog", Jan Kleinnijenhuis, Trouw, 14 september 2013. "4.500.000.000.000, aan de crisis hangt een miljardenprijs", Maarten Schinkel, NRC/Handelsblad, 14 september 2013. "De Zwitserland-mythe", column Caroline de Gruyter, NRC/Handelsblad, 21 september 2013. "Zo schaamteloos is de Jood!, Herschel Grynszpans aanslag op een nazi-topstuk gaf Goebbels een vrijbrief tot her ontketenen van de Kistallnacht." Co Welgraven, Trouw, 9 november 2013. "Het lot werd geen noodlot". Koen Vossen, Trouw, 12 december 2013. Césaire's Négritude, Grardus (Gerard) Boon, Oerdigitaal Vrouwenblad, 2013 - 2014. "De mens blijft lekker spelen.", Coen van Beelen, Trouw 13 januatrri 2014. "Stijfjes swingen na de bevrijding" Berthold van Maris, NRC/Handelsblad, 18 september 2014. "Stalins persoonlijke revolutie". Bernard Hulsman, NRC/Handelsblad 28 augustus 2015. "Financieel systeem is nog steeds levensgevaarlijk." Joris Luyendijk, Trouw, 31 augustus 2015. "2 bussen met vluchtelingen over de grens." Zaans Volksblad 1938, @Marktraa 27 aug. 11.35, Trouw 5 september 2015. "Hitler was gek, noch origineel." Interview met Jean-Louis Vuillerme. Marnix Verplancke, Trouw, 19 september 2015. "Wo ist die Van der Lubbe-Strasse? "Harald Merkelbach, NRC?handelsblad, 27 september 2015. "En nu moet de student een kritisch econoom worden ", Ewald Engelen, NRC/Handelsblad, 3 oktober 2015. "Tot de laatste man, Ian Kershaw en Timothy Snyder over Hitler en de Holocaust". Joost de Vries, de Groene Amsterdammer, 20 oktober 2015. "Historicus die Duitsland schokte over nazi-misdaden, Hans Mommsen 1930 - 2015." Frans Dijkstra, Trouw, 16 november 2015. "Vallen, opstaan en weer doorgaan, Annejet van der Zijl over de veerkracht van de suikertante van prins Bernhard." Paul van der Steen, Trouw, 21 november 2015. "De balans van een populaire bouwstijl." Bernard Hulsman, NRC/H, 8 februari 2016. "Het toezichtsprookje, de onmogelijke spagaat van de AFM." Femke Awater, Pamela Kalkman, Emmy Koopman & Tim Staal, de Groene Amsterdammer, 10 maart 2016. 'Statenloos en rechteloos, Hannah Arendt, de ideale buitenstaander." Casper Thomas, de Groene Amsterdammer, 12 mei 2016. "Sporten onder het oog van de Führer. 1936. Wij gingen naar Berlijn", van Auke Kok. Boekrecensie, Co Welgraven, Trouw, 14 mei 2016. "Een jaarinkomen voor één Jood, mensensmokkel in de jaren dertig." Ton de Jong, de Groene Amsterdammer 26 mei 2016. "Petje op, petje af, de Zomerspelen van 1936." Toef Jager, NRC/H, 27 mei 2016. "Nep", Column Linda Polman in "Wordt vervolgd" (Amnesty International), juni 2016. "Onder de schijn van doorbraak. 'Tegels lichten' als zelfportret van H. J. A. Hofland". Chris van der Heijden, de Groene Amsterdammer, 23 juni 2016. "Wij waren géén Florence Nightingale, Nederlandse verpleegsters in de Spaanse Burgeroorlog", Seran de Leede & Hinke Piersma. De Groene Amsterdammer, 26 juli 2016. "Avonturiers tegen Franco, Meindert van der Kaaij. Trouw, 29 juli 2016. "Rode lijnen", Column Floor Rusman, NRC/H, 4 augustus 2016. "Deze krant houdt de vreemdeling niet buiten de deur", brief van de hoofdredactie Cees van der Laan, Trouw, 26 september 2016. "Rusteloos en overal, het leven van Albert Helman." Michiel van Kempen, In de Knipscheer, Haarlem, 2016

Terug naar de eerste pagina